Edward Bruce
Officieel
regeerden de Engelsen in Ierland, maar er waren verschillende Ierse
families die de feitelijke macht hadden in het centrum en het westen van
het land. De Engelse gebieden in het zuiden van Ierland leverden aan
Edward I en II soldaten en bevoorrading voor het leger.
Met het losgeld dat
Robert the Bruce wist te
innen net de op
Bannockburn gevangen edelen, en de
ingenomen bagage karavaan kon elke stad in Schotland aardig worden
herbouwd. Dit gebeurde ook en Schotland begon weer een economie te
krijgen doordat de handelsroutes werden heropend. Frankrijk speelde
hierin een belangrijke rol. Het zou echter nog 14 jaar duren tot de
koning van Engeland Schotland als een onafhankelijke natie zou erkennen.
Dit wreekte de Schotten door noord-Engeland dat nu weerloos open lag
leeg te plunderen. Robert maakte de wet dat wanneer hij zou sterven
zonder troonopvolger dat zijn troon dan naar zijn broer, Edward Bruce
zou gaan.
Roberts plannen waren echter niet
alleen om Schotland van de Engelsen te bevrijden. Daarom verzamelde hij
1314 nogmaals zijn leger. Deze keer viel hij het eiland Man binnen dat
nog steeds in Engelse handen was. Na de belegering van Castle Rushen die
vijf weken duurde versloeg Robert de Engelsen. Tot aan 1346 zou Man in
Schotse handen blijven.
In 1315 schreef Robert een
brief naar de Ierse families, die hij aansprak als ‘alle koningen van
Ierland’. Dit wordt gezien als voorbereiding voor de nieuwe fase van de
Schotse onafhankelijkheidsoorlog – het bevrijden van Ierland en het
kronen van Roberts broer Edward. Edward had in de jaren van de Schotse
onafhankelijkheidsoorlog samen met Robert gevochten. Edward leidde de
Schotse rechter vleugel tijdens de slag bij Bannockburn. In de brief
werd duidelijk gemaakt dat Robert the Bruce streefde naar Keltische
broederschap en dat hij zich bewust was van de afkomst die de Schotten
met de Ieren deelden.
Domnall
O’Neill, mogelijk een verre neef van Robert, hielp hem door met 22
andere Ierse koningen een brief, de remonstrantie van de Ierse prinsen,
te schrijven naar paus Johannes XXII, waarin ze gedetailleerd uitlegden
waarom ze tegen de Engelse overheersing van Ierland waren. In de naweeën
van Bannockburn waren de Ieren aangestoken door het verlangen naar
vrijheid van de Schotten.
Edward Bruce, jongere broer van
koning Robert van Schotland, leek een ideale bondgenoot om Ierland te
bevrijden. Op 26 mei 1315 landden Edward Bruce en Thomas Randolph, earl
van Moray, in het hedendaagse Antrim, 6.500 soldaten leidend. Misschien
een kleine strijdmacht, maar onder de krijgers waren veteranen van de
Schotse onafhankelijkheidsoorlog. De 300 schepen keerden terug naar
Schotland en gaven hiermee een duidelijk signaal: de mannen werden niet
snel terug verwacht. Het Schotse leger begon zijn opmars naar het
Engelse fort van Carrickfergus.
De Engelse earls van Ierland
waren al snel op de hoogte van het invasieleger en de earls van
Mandeville, Bisset, Savage en Logan brachten een leger van ongeveer
20.000 man bijeen om de Schotten te verslaan. Dit lukte niet. Hoewel er
4 Engelsen tegenover elke Schot stonden, won het Schotse leger. Hierna
marcheerde Edward Bruce op naar Carrickfergus, de grootste stad van
Ierland. Een overblijfsel van het Anglo-Ierse leger vluchtte het kasteel
van de stad in en een drie jaar lange belegering van het kasteel begon.
Dit liep uit op een wapenstilstand tussen het garnizoen en Bruces leger,
dat op plundertocht uitging in het oosten van Ulster. Wellicht hierdoor
wankelde de beloofde steun van de Ierse prinsen. Van de 22 die hem eerst
hadden gesteund, zworen slechts tien tot twaalf mensen Bruce trouw.
Ondertussen
dreigde hongersnood voor het Schotse leger en Edward trok zuidwaarts
voor voedsel en bevoorrading richting Dundalk, waar enkele machtige
Engelse lords zich hadden verzameld. Op zijn weg naar het zuiden,
deserteerden twee Ierse bondgenoten van Edward en zette een hinderlaag
van 4.000 man. Dit was onverwacht, maar de Schotten wonnen en trokken
door naar Dundalk. Op 29 juni 1315 werd deze stad ingenomen en het
voedsel en de wijn geroofd.
De Schotten onder leiding van
Thomas Randolph, earl van Morray, trokken nu naar de bossen in het
westen, in de buurt van Lough Ross, waar Domnall O’Neill zich met 3.000
man bij het leger voegde. Hier wachtten ze meer dan een maand op een
aanval van Richard de Burgh, de schoonvader van Robert the Bruce en een
van de machtigste earls van Ierland en Engeland. Deze had een eigen
troepenmacht verzameld een marcheerde richting de Schotten. Hij wees
steun van het leger van sir Edmund Butler af, omdat hij dacht dat zijn
eigen leger genoeg zou zijn om het invasieleger uit te drijven. In zijn
trots marcheerde hij vlak langs het leger van Bruce en O’Neil, zonder
hen te zien. Het Schotse leger was ondertussen gedwongen naar het
noorden te trekken naar Coleraine, waar Edward hoopte voedsel of
bevoorrading uit Schotland binnen te krijgen. De Burgh stopte het leger
van zijn vijand door de brug over de rivier de Bann te vernietigen en de
landerijen in zijn eigen earldom in brand te zetten, terwijl hij voor
zijn eigen leger in opslagplaatsen in Antrim genoeg voedsel verzamelde.
Hongersnood dreigde voor de Schotten, maar de Schotse piraat Thomas van
Down had recent vier schepen gekaapt waarmee hij het leger over de
rivier heen zette. Ze zetten hun kamp op en wachtten.
Het
kamp van De Burgh lag niet ver weg en een dagelijkse patrouille reed
tussen het kamp en de opslagplaatsen in de stad Connor heen en weer,
onwetend dat vlakbij het kamp van Bruce lag. 5 van Bruces generaals
vielen de patrouille met 300 man zo onverwacht aan dat de Anglo-Ieren
geen tijd hadden om te reageren – geen van hen ontvluchtte de
hinderlaag. De Schotten vermomden zich als de patrouille en reden bij
schemering naar het Engelse kamp. Daar overvielen ze De Burghs soldaten,
ongeveer 1.000 man dodend. De Burgh trok terug naar Connor maar liet de
volgende morgen een regiment Bruce’s leger aanvallen. Dat had deze al
verwacht en hij beval het kamp achter te laten en zich te verschuilen.
De Anglo-Ierse troepen trapten in de val en werden verslagen. Zonder
problemen kon het Schotse leger de stad Connor innemen en de
voedselopslagplaatsen legen. De buit werd meegenomen naar het Schotse
hoofdkwartier in Carrickfergus en De Burgh trok terug naar de provincie
Connaught. Thomas Randolph, earl van Moray, ging nu terug naar Schotland
met vier schepen oorlogsbuit en William de Burgh, jongere broer van
Richard, als krijgsgevangene. Er werd een kort bestand gesloten.
Op 11 april 1316 werd
Carrickfergus aangevallen door de Anglo-Ierse lord Mandeville. Hierbij
werden 60 Schotten gedood, maar toen Edward Bruce dit hoorde zocht hij
Mandeville op en vermoordde hem met zijn dolk. De Engelsen trokken terug
naar Carrickfergus, dat maanden belegerd werd voordat het werd
ingenomen. Het verhaal gaat dat de uitgehongerde kasteelbewoners acht
gestorven krijgsgevangenen opaten om niet te verhongeren. In de roes van
zijn succes werd Edward Bruce op 2 mei 1316 op de heuvel van
Knocknemelan, vlakbij Dundalk, High King of Ireland gekroond.
Nu
Edward was gekroond, werd het gerucht verspreid dat de Bruces in Wales
zouden landen. Aangemoedigd door zulke gedachten, rebelleerden de
Welshmen onder Llywelyn Bren. Dit werd de kop in gedrukt. Aangespoord
door Bruces succes in Ulster rebelleerden ook verschillende Ierse edelen
tegen Richard de Burgh. Zij werden echter in augustus 1316 verslagen bij
de slag van Athenry, waarvan wordt gezegd dat het met ongeveer 8.000
doden de bloedigste Ierse veldslag ooit was.
Ondertussen had Robert the
Bruce een leger verzameld en zeilde hij naar Carrickfergus met 7.000
soldaten. Dit bracht het aantal Schotse soldaten op 20.000, genoeg om
Ierland in te nemen. Het volgende jaar marcheerde het leger dan ook naar
het machtscentrum van Ierland – Dublin. Door Dublin in te nemen, kon
heel het land gecontroleerd worden. Toen de twee Bruces echter voor de
muren stonden, kwam het bericht dat Richard de Burgh door de stad
gevangen werd gehouden. Hij werd ervan verdacht mee te werken met zijn
schoonzoon en zich alleen voor de schijn te verzetten. Wanneer de
Schotten Dublin aan zouden vallen, zou hij terechtgesteld worden. De
strategie werkte en de Bruces vielen niet aan, maar sloegen hun kamp
vlak buiten de stad op. Die nacht zetten de inwoners van Dublin de
buitenstad in brand en versterkten ze de muren. In hun paniek
vernietigden ze verschillende belangrijke gebouwen, waaronder het
landhuis van de Engelse koning, maar ze hadden niets te vrezen. Het
Schotse leger marcheerde weg en toen het na ongeveer drie maanden weer
teruggetrokken was naar Ulster, werd De Burgh vrijgelaten.
Na de mislukking van Dublin
vielen Bruce’s troepen verschillende landgoederen van de Engelse lords,
onder andere dat van sir Edmund Butler, aan. Ook verschillende steden
moesten het ontgelden van het hongerlijdende Schotse leger. Vele
soldaten stierven, anderen aten uit wanhoop hun paarden op. Rond 27
maart was Kells via Cashel en Nenagh bereikt, maar had Bruce geen enkele
slag gevochten of een stad belegerd. Ondertussen groeide het leger van
Edmund Butler met de dag en moesten de Bruces terugtrekken naar het
noorden. De uitgeputte Schotten marcheerden door Kildare en bleven
enkele dagen bij de rivier de Boyne. Het leger bereikte Ulster op 1 mei
na een campagne die nauwelijks drie maanden had geduurd. Die maand
keerde Robert the Bruce terug naar Schotland en liet het bevel weer over
aan zijn broer.
Deze
moest ongeveer zes maanden in Carrickfergus blijven door een
hongersnood. Daarna trok Edward met een deel van zijn leger opnieuw op
naar Dundalk. Toen de Engelsen hiervan hoorden, verzamelden zij ook een
troepenmacht om Edward te ontmoeten. Edwards generaals Sir Walter
Stewart en Philip Mowbray adviseerden te wachten op versterkingen, maar
Bruce sloeg het advies in de wind, zeggend dat hij een leger van wel
120.000 man kon verslaan als het moest. Het kleine Schotse leger sloeg
zijn kamp vlak bij Dundalk op in afwachting van de slag met de Engelsen.
De nacht voor het gevecht infiltreerde de Engelse bevelhebber nog in het
Schotse kamp, vermomd als monnik.
Op 14 oktober 1318 vond de slag
bij Faughart plaats. De 2.000 Schotten onder leiding van Edward Bruce
waren gepositioneerd op een hellend stuk grond bij Faughart, vlak bij
Dundalk. De 20.000 Anglo-Ieren werden geleid door John of Birmingham.
Voor het gevecht hadden enkele Ierse bondgenoten van Bruce het veld al
verlaten omdat ze weigerden tegen zo’n grote overmacht te vechten.
Loyaal tot in de dood vielen de Schotse soldaten met hun leider aan. Ze
vochten dapper maar werden uiteindelijk onvermijdelijk verslagen. Edward
Bruce werd gedood door sir John Mapas. Zijn lichaam werd gevierendeeld
en naar verschillende uithoeken van Ierland gestuurd, koning Edward II
van Engeland kreeg het hoofd van Bruce. Mapas, Bruce’s moordenaar, kreeg
een landgoed. Er is een klein graf bij Faughart, een simpele
schildvormige zerk met de inscriptie ‘Edward Bruce, gedood in gevecht
bij Faughart, 14 okt 1318.’
Een deel van het Schotse leger
kon terugtrekken naar Carrickfergus en werd de gehele weg achtervolgd en
aangevallen door het Engelse leger. Onderweg kwamen ze versterkingen
tegen die Robert the Bruce als ondersteuning naar Ierland had gestuurd.
Als Edward de gegeven adviezen had opgevolgd, was de uitslag bij
Faughart waarschijnlijk heel anders geweest. De Schotten verbrandden het
land op hun terugtocht, gingen aan boord op hun schepen en keerden terug
naar Schotland. De campagne van de Bruces in Ierland was tot een einde
gekomen.
Zie ook:
Robert the Bruce
De slag bij Bannockburn
Het eiland Man Ierland
Bronnen:
A. Young,''
Robert the Bruce's Rivals'', (Phantassie, 1998) J. Marsden, ''
Galloglas'', Phantassie, 2003 Michael Brown,
''The wars of Scotland'', (Edinburgh 2009) M. Bernett, J.
Bradbury, K. DeVries, I. Dickie, P. G. Jestice,'' Fighting techniques of
the medieval world (London, 2005)
|