De aardappelcrisis

(1845-1849)

Ierlands bevolking was in de negentiende eeuw zeer sterk gegroeid. Dit kwam, omdat een groot gezin de verzekering was voor later onderhoud - de kinderen namen de zorg voor de ouders. Echter, dit betekende ook dat grote gezinnen veel voedsel nodig hadden en de opbrengst van het land was in Ierland niet genoeg om deze gezinnen te steunen. Aardappels vormden het hoofdvoedsel van de landelijke bevolking van Ierland. Dit gewas was destijds zeer vatbaar voor ziektes, waar geen remedie tegen bestond, maar zelfs als deze bestond zouden de plattelandsmensen niet genoeg geld hebben dit te kopen.

In 1844 werd er een nieuwe vorm van aardappelziekte in Amerika ontdekt. Deze ziekte veranderde de knol in een papperige massa die totaal niet eetbaar was. De nieuwe ziekte werd voor het eerst in Europa gesignaleerd in 1845 in Frankrijk en het eiland Wight. De zomer van dit jaar was mild maar zeer nat in Groot-Brittannië. Dit zorgde voor bijna de beste omstandigheden voor het verspreiden van de ziekte. De Ieren verwachtten goede oogst, omdat het weer zeer gunstig was geweest. Maar toen het op rooien aankwam, bleken de aardappels een zwarte, slijmerige massa te zijn geworden. 50% van de oogst ging verloren. De landelijke gemeenschap kon dit verlies onmogelijk opvangen. Elk gezin verbouwde wat hij voor dat jaar nodig had en nog wat om te bewaren voor hardere tijden. Maar het probleem werd erger. In 1846 mislukte de oogst compleet en hij was in 1847 zeer mager. Deze drie rampzalige jaren zadelden Ierland met grote problemen op.

De adviezen aan degenen die waren getroffen door de aardappelziekte, waren absurd. Iemand raadde hen aan, om hetzelfde gas dat later in de eerste wereldoorlog werd gebruikt om troepen te vergiftigen, te produceren en over het zieke gedeelte van het land te verspreidden. Het parlement in Londen besloot niets te doen. Ierland had al vaker last gehad van aardappelziekten en zou de benodigde kennis wel hebben om dit op te lossen. Het was in 1846 echter al duidelijk, dat dit geen ‘gewone’ hongersnood was.

Sir Robert Peel exporteerde dus, ondanks verzet van de minister van financiën, £100,000 aan graan naar Ierland. Tegen 1846 was al £3,500,000 aan aardappelen verloren. Peel geloofde, dat als dit graan op de Ierse markt was gezet, het de prijs van ander voedsel lager zou maken. Dit werkte redelijk, maar het toonde ook het gebrek aan kennis over Ierland dat in Londen bestond. Hoewel Peel tenminste wat deed om te helpen, kende ook hij Ierland en haar volk niet genoeg. Het graan werd verwelkomd als beter dan niets. Het probleem was, dat er weinig molens in Ierland waren, zodat het produceren van meel zeer moeilijk was. Veel Ieren werden ziek, doordat ze het graan probeerden te eten zonder dat het vermaald was.  De regering probeerde ook te helpen door werkgelegenheid, zoals in de wegenbouw, te creëren in de hoop dat sommige families door nieuw werk wat geld konden verdienen. Ook richtte de regering noodziekenhuizen voor koorts op om te zorgen voor degenen die geen medicijnen kon kopen. De denkwijze die in Westminster heerste, belemmerde de hulp aan de Ieren. Er werd daar over het algemeen gedacht, dat de Ieren hun inspanning niet waard waren en dat alles wat hun overkwam hun eigen zaak was. De hele zaak werd niet geholpen met het feit dat de landeigenaren in Ierland geen medelijden toonden met de mensen die op hun land werkten. Degenen die hun huur niet konden betalen werden het huis uit gezet ondanks de inspanningen van de regering om werkgelegenheid te scheppen.

Ook werd tijdens de hongersnood £1 miljoen aan graan en gerst van Ierland naar het vasteland van Groot-Brittannië geëxporteerd samen met vele zuivelproducten. Degenen die deze producten produceerden verdienden er daar simpelweg meer mee dan in Ierland. Alle initiatieven vanuit Londen werden verhinderd of gewoon geblokkeerd door sir Charles Trevelyan, de eerste secretaris van de minister van Financiën Natuurlijk waren er ook mildere landeigenaren, maar die werden overweldigd door de vele armen die bij hen wilden komen werken. Sommige heren gingen over tot gedwongen emigratie van hun huurders in een poging het probleem in Ierland op te lossen. In oktober 1847 voer het schip ‘Lord Ashburton’ met 477 Ierse emigranten naar Noord-Amerika. 177 mensen kwamen van een landgoed, dat door de toenmalige minister van buitenlandse zaken, lord Palmerston, werd beheerd. Ze waren zo arm dat ze allen bijna naakt waren voor de reis en 87 moesten door Amerikaanse liefdadigheidsinstellingen worden gekleed, voordat ze het schip konden verlaten. Op deze reis stierven er 107 door diarree en koorts.

Het resultaat
Tussen 1846 en 1850 daalde de bevolking van Ierland met twee miljoen, wat 25% van de totale bevolking inhield. Deze twee miljoen mensen kunnen in twee groepen worden verdeeld. Een miljoen stierf door honger of door de ziektes die met de hongersnood gepaard gingen. De andere helft emigreerde naar Noord-Amerika, Engeland of Schotland. Velen merkten dat de gebieden waar ze gingen wonen niet positief tegenover de Ieren stonden, omdat ze bereid waren voor zeer lage lonen te werken. Daarom waren werkgevers in fabrieken bereid om banen aan te bieden aan Ieren in plaats van de Engelsen en Schotten. De meeste Ieren waren echter compleet onvoorbereid voor het fabriekswerk, omdat ze gewend waren aan het leven aan het platteland.

Ierlands bevolking nam nog verder af na het eind van de hongersnood. Veel jonge Ierse gezinnen zagen meer toekomst in Amerika dan in Ierland. Dit beïnvloedde Ierland, aangezien degenen die het meest zouden kunnen bijdragen aan het land, het land verlieten. Helaas hielp dit niet voor degenen die op het land bleven. Met veel minder boeren, zou men denken dat de grondeigenaren minder hard tegenover hun huurders zouden staan, aangezien zij er belang in hadden dat hun land bewerkt bleef. Dit gebeurde dus niet. De bezitters van het land namen de kans waar om hun landgoederen efficiënter in te delen en er waren meer uithuisplaatsingen toen de hongersnood was geëindigd Ook de Ierse cultuur werd aangetast bij de hongersnood. Zo werd er veel minder Gaelic gesproken. De gebieden waar deze taal het meest gangbaar was, in het westen, waren ook de gebieden die het hardst werden getroffen door de hongersnood. De politieke invloed van de hongersnood was groot. Er waren mensen die meenden, dat de regering in Londen veel te weinig hadden gedaan om hun volk te helpen. Daarom geloofden ze dat de enige mensen die de Ieren konden helpen, de Ieren zelf waren. Sommige leiders van de paasopstand van 1916 had gezinnen die waren getroffen door de hongersnood. Geld voor sommige republikeinse acties in de negentiende en de twintigste eeuw kwam van de oostkust van Amerika.

Zie ook:

De Ierse kwestie
Michael Collins
Sinn-Fein

Celtic Webmerchant:

                    
Uitroep Ierse republiek € 41,95
    Enkelhandig Vikingzwaard € 70,15       Stalen armstukken  € 44,70

     
 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact