Bobby Sands

Robert Gerard Sands, beter bekend als Bobby Sands, werd op 9 maart 1954 geboren in de Ierse plaats Abbots Cross ten noorden van Belfast als oudste zoon van een katholiek gezin. Zijn zussen Marcella en Bernadette kwamen een respectievelijk in 955 en 1958 op de wereld. In 1960 verhuisde het gezin naar Rathcole, waar in 1962 zijn broer John geboren werd. De ouders van Bobby waren in die tijd 57 jaar oud.

De hardheid van het leven in een ghetto werd Bobby al op jonge leeftijd duidelijk, toen zijn familie in 1962 werd  gedwongen hun huis te verlaten omdat de Royalisten hun bedreigden en intimideerden. Bobby hoorde zijn moeder destijds al spreken over problemen die wel zo hoog opliepen dat zij ze vanaf haar jeugd niet meer had meegemaakt.

Toen Bobby zestien jaar oud was ging hij werken in een bussenfabriek. Daarvoor werd hij ook lid van de vakbond voor voertuigenbouwers en van de ATGWU. In een artikel dat in 1981 uitgebracht werd door An Pholacht / Republican News schreef Bobby: ''Starting work, although frightening at first became alright, especially with the reward at the end of the week. Dances and clothes, girls and a few shillings to spend, opened up a whole new world to me.''

Toen hij hier twee jaar gewerkt, stonden op een morgen een aantal mannen voor de ingang van de fabriek hun geweren te poetsen. Ze spraken hem aan en zeiden dat hij moest vertrekken: “Zie je deze hier? Als je niet gaat, krijg je ze.” Daarnaast trof Bobby een brief in zijn lunchtrommel aan waarop gezegd werd te vertrekken. Het was duidelijk dat de royalisten het op hem gemunt hadden.

In de zomer van 1972 werd de familie zodanig bedreigd dat ze hun huis in de Doonberg Drive moesten verlaten. Ze verhuisden naar een nieuwer gebouw in Twinbrook in het Nationalistische West-Belfast. Bernadette verklaarde later dat ze meer dan achttien maanden waren geïntimideerd en aangevallen, voordat ze uiteindelijk het huis verlieten. De familie had ondanks de bedreigingen veel protestantse vrienden en Bobby ging met zowel katholieken als protestanten om.

Naast deze bedreigingen werd Bobby zelf regelmatig ook aangevallen door de loyalisten. Dit was voor Bobby de reden waarom hij op achttienjarige leeftijd zich aansloot bij de Republikeinse beweging de IRA, een aantal van zijn neven was ook al lid van de organisatie. Zijn zus verklaarde later dat hij toen net besefte wat er gebeurde en zich meteen aansloot. Bobby voelde dat hij iets moest doen om Noord-Ierland onafhankelijk te maken en de Ierse bevolking dezelfde rechten te geven als de protestantse kolonialisten. Bobby zelf schreef in deze tijd: “Mijn leven wordt nu gekenmerkt door slapeloze nachten en uitzonderlijk inspannende momenten tijdens de operaties die de IRA uitvoert. Maar de Ierse bevolking steunt ons enorm. De Ierse bevolking opent niet alleen de deuren wanneer we langs marcheren om ons een hand te geven, ze openen ook hun hart voor ons. Ik heb nu geleerd dat we zonder andere mensen niet kunnen overleven en daarom ben in ook alles verschuldigd aan de Ierse bevolking.”

In de herfst van 1972 werd Bobby gearresteerd. In het huis werden vier pistolen aangetroffen die hij voor de IRA bewaarde. Hij verbleef de volgende drie jaar in de gevangenis van Long Kesh waar hij als politieke gevangene werd gehandeld, omdat Noord-Ierland streed tegen de Engelse bezetters. In deze tijd hield Bobby zich vooral bezig met schrijven en leerde het verboden Iers Gaelic met de hulp van een man die gevangen zat in het H-blok.       

In 1976 werd Bobby vrijgelaten en keerde terug naar zijn familie die nog altijd in Twinbrook leefde. Hij meldde zichzelf weer aan bij de lokale eenheid van de IRA en werd in dienst genomen. Daarnaast repareerde hij taxi’s, die de plaats van bussen moesten innemen omdat die waren stilgelegd. Pas toen mensen kraaienpoten op de weg legden om de taxi’s te verhinderen, begon hij weer actief mee te doen met de republikeinen. Zijn hoofdtaak werd om de bevolking uit de regio te informeren over de strijd, waardoor het onder de Ieren opener en beter werd besproken.

 De oorlog bleef doorgaan, al werden te tactieken en strategieën aangepast. De Britse regering verklaarde nu dat de IRA soldaten geen krijgsgevangenen meer waren, maar criminelen waartegen geen krijgswet hoorde te worden gebruikt, hierdoor veranderde de hele oorlog.

Binnen zes maanden werd Bobby weer gearresteerd. Er was namelijk een bomaanslag gepleegd tegen de Balmoral Furniture Company in Balmorry, waar Bobby met drie anderen in een auto werd aangetroffen. De kapitein van de RUC (de politie van Ulster) die de auto doorzocht, trof in de auto een revolver aan. Zes mensen werden er in totaal opgepakt en naar Castlereagh afgevoerd, waar ze bijna een week lang ondervraagd werden door zware martelingen. Bobby weigerde elke vraag te beantwoorden, behalve de vragen naar zijn naam, leeftijd en adres. In zijn zesennegentig verzen lange gedicht met de titel “De misdaad van Castlereagh” uit 1980 schreef Bobby over zijn ervaringen in Castlereagh.

They came and came their job the same
In relays N'er they stopped.
'Just sign the line!' They shrieked each time
And beat me 'till I dropped.
They tortured me quite viciously
They threw me through the air.
It got so bad it seemed I had
Been beat beyond repair.

The days expired and no one tired,
Except of course the prey,
And knew they well that time would tell
Each dirty trick they laid on thick
For no one heard or saw,
Who dares to say in Castlereagh
The 'police' would break the law!

Hij werd elf maanden vastgehouden tot zijn rechtszaak. Net als in zijn vorige rechtzaak weigerde hij het gerechtshof te erkennen, omdat het een buitenlands gerechtshof was met een buitenlandse koningin, die helemaal geen recht had om recht te spreken in het Keltisch Ierland. De jury gaf tijdens het proces toe dat er geen bewijs was dat Bobby of de andere drie mannen iets met de bomaanslag te maken hadden. De vier mannen werden allemaal voor veertien jaar cel veroordeeld voor het verbergen van een revolver.

Bobby werdt de eerste tweeëntwintig dagen van zijn gevangenschap opgesloten in een isoleercel. Veertien van deze dagen was hij compleet naakt. Hij werd overgebracht naar het H-blok en nam deel aan het protest dat daar was ontstaan, om geen gevangeniskleding maar lakens te dragen om erkenning van hun status als krijgsgevangene te krijgen. Om de tijd te verdrijven, begon hij voor het Republikeinse nieuws te schrijven en na februari 1979 voor het nieuwe blad An Phobhacht / Republican News onder de naam Marcella, de naam van zijn zus. Zijn contacten in het H-Blok smokkelden de berichten via dunne stukjes toiletpapier uit de gevangenis.

Bobby werd de leider van de gevangenen van het lakenprotest in zijn blok en was in constant conflict met de gevangenisbewaarders. Hierbij werd hij veel geslagen en op andere manieren gemarteld, bijvoorbeeld door de onthouding van eten. Het H-blok werd het slagveld van de republikeinen terwijl de hele wereld, inclusief mensenrechtenorganisaties, toekeek.

Het echte protest begon in 1978 toen de gevangenen van het H-blok weigerden hun kamerpotten buiten de deur te legen, omdat ze verscheidene malen waren aangevallen. Ze leegden hun pot voortaan vlak voor de deur, in hun cel, en smeerden hun uitwerpselen aan de muur.

Op 27 oktober 1980 onderbraken de Britten hun onderhandelingsgesprekken met kardinaal O’Fiaich van de Ierse katholieke kerk. Uit protest hiertegen gingen zeven van de gevangenen in hongerstaking, onder leiding van Brendan Hughes. Er waren meer gevangenen die mee wilden doen, maar het getal zeven werd gekozen omdat eenzelfde aantal personen de onafhankelijkheidsverklaring van Ierland tijdens de Paasopstand had getekend. Ze werden gesteund door de vrouwen in de Armagh gevangenis, die ook kort in hongerstaking gingen. In het Oud-Ierse recht kan een Ier een onbetaalde schuld of boete voor een misdaad tegen hem afdwingen door in hongerstaking te gaan. Mocht deze persoon dan sterven, werd de dader van deze schulden of misdaden moord ten lasten gelegd. Dit kwam echter in de meest extreme gevallen voor.

Brendan Hughes had een van de hongerstakers, Sean McKenna, beloofd dat wanneer deze in coma zou raken, hij de staking af zou breken. McKenna bevond zich na 53 dagen op het randje van de dood en daarnaast drong het Britse parlement aan op een compromis. Hughes liet de staking afbreken.

Op 19 december 1980 eiste Bobby dat republikeinse gevangenen geen gevangeniskleding meer hoefden te dragen, gevangeniswerk hoefden te doen, weer met andere gevangenen mochten samenkomen en een bezoek, een brief en een pakje per week mochten ontvangen. Vervolgens begon hij te onderhandelen met de gevangenis gouveneur Stanley Hilditch om zijn eisen verhoord te krijgen, maar dit was tevergeefs.

Bobby begon op 1 maart 1981 een tweede hongerstaking. Hij zag het als een mininatuurvoorbeeld hoe de Britten Ierland door de geschiedenis heen hadden behandeld en wist dat er iemand moest sterven om een politieke status te winnen. Hij stond erop dat hij twee weken voor de rest van de hongerstakers zou starten, zodat na zijn dood er nog een aantal overlevenden zouden zijn.

In de eerste zeventien dagen van zijn hongerstaking hield Bobby er een geheim dagboek op na, meestal in het Engels maar ook regelmatig in het Gaelic. Hij was niet bang voor de dood en zag een hongerstaking als iets lichts in verhouding met wat de Britse regering door de eeuwen heen met Ierland deed. Tijdens de eerste zeventien dagen van zijn hongerstaking verloor hij zeven kilo. Op 23 maart 1981 werd hij naar het gevangenisziekenhuis gebracht. Op 30 maart werd hij met een verschil van 1.000 stemmengekozen als Kamerlid voor Fermanagh en Zuid-Tyrone, omdat Frank Maguire een hartaanval had gekregen en plotseling was gestorven. In zijn geval had hij echter, merkte hij zelf ironisch op, weinig reden om optimistisch te zijn over zijn verkiezing.

Op donderdag 5 mei 1981 stierf Bobby Sands om zeventien over één, na een hongerstaking van 65 dagen.

Twee weken na zijn dood stierven een Ierse melkman en zijn zoon door zwaar letsel, opgelopen door Royalisten die met stenen gooiden. Dit weerhield de menigte van meer dan 100.000 mensen er niet van om de begrafenis van Bobby Sands bij te wonen. Ook zijn vrouw, Geraldine Noade, en hun zoon Gerard waren aanwezig. In reactie op een vraag in het Britse parlement antwoordde éérste minister Margaret Thatcher, dat Sands een extremistische crimineel was die ervoor verkoos om zelfmoord te plegen, dat dit een keuze was die zijn organisatie niet aan veel van zijn slachtoffers geeft.

Negen anderen die betrokken waren bij de hongerstaking in 1981 stierven na Bobby’s dood. Zij waren Francis Hughes, Raymond McCreesh, Patsy O’Hara, Joe McDonnell, Martin Hurson, Kevin Lynch, Kieran Doherty, Thomas McElwee en Michael Devin. Veel Ieren zien Sands en de andere negen mannen als martelaar voor Noord-Ierland. In totaal zijn er 23 Republikeinse gevangenen van de IRA en de INLA in hongerstaking gegaan. De andere dertien hebben na Sands dood hun hongerstaking beëindigd, toen duidelijk werd dat hun familie zou ingrijpen als ze bewusteloos raakten. Dit waren Brendan McLaughlin, Paddy Quinn, Laurence McGeown, Matt Devlin, Liam McCloskey, Patrick Sheehan, Jackie McMullan, Bernard Fox, Hugh Carville, John Pickering, Gerard Hodgkins en James Devine. Officieel stopte de hongerstaking op 3 oktober.

De royalisten waren bang dat heel Noord-Ierland in opstand zou komen en met Ian Paisley, hun leider en mede-aanstichter van Bloody Sunday, hielden ze een schijnheilige herdenking voor de slachtoffers. Na Sands dood werd het aantal leden van de IRA verdubbeld en verworf de IRA wereldwijd meer fondsen. 

Gevolgen van de hongerstaking

In Schotland zingen fans van de Glasgow Rangers F.C  tot op de dag van vandaag het lied Will Ye Go A chicken Supper, Bobby Sands? om hun grote tegenhanger Celtic F.C uit te dagen. Veel fans van de Glasgow Rangers staan bekend als Britse Nationalisten. Celtic fans zijn voornamelijk de Keltische republikeinen en Jacobites uit Schotland en Ierland. Wanneer de Rangers en Celtic tegen elkaar spelen breken er tot vandaag de dag nog vaak enorme rellen uit.

In de Ierse republiek kondigde Sinn Fein een nationale dag van rouw aan. Helaas bleven de winkels echter open. Op 14 mei kwam de Dáil, het Ierse parlement,  bijeen en besprak wat te doen met deze situatie. De Ierse republiek besloot echter dat ze Noord-Ierland niet meer zouden kunnen steunen dan dat ze al deden. In Engeland gingen demostranten de straat op, maar werden massaal aangevallen door leden van de Oranjebewegingen. De tocht zat vast tussen Mersey en Lodge en werden daar uit elkaar geslagen door de Britse politie.

Europa reageerde verdeeld en veel landen waaronder ook Duitsland bleven de IRA als een criminele organisatie erkennen. In Milaan hielde 5.000 Italiaanse studenten een optocht en verbrandden de Britse vlag onder de leuze ‘Freedom for Ulster’. In Gent vielen studenten de Britse ambassade aan. In Parijs marcheerden duizenden mensen met het portret van Sands in de hand om eer te betonen aan de IRA met de vermelding dat de IRA Ierland zou bevrijden en over geheel Frankrijk werden straatnamen naar Sands vernoemd.  In Oslo gooiden demostranten een ballon gevuld met tomatensaus op koningin Elisabeth de 2de van Groot-Britannië toen zij op staatsbezoek was. De Sovjet Unie beschreef de dood van Sands als weer een daad van onderdrukking tegen Ierland.  

De Amerikaanse media maakten hun mening over Sands dood duidelijk. The Boston Globe was van mening dat de actie van Bobby Sands zijn land en zijn volk in een nieuwe neerwaardse spiraal bracht. De New York Times schreef dat de Britse premier Thatcher gelijk had om de acties van Sands te negeren. De Amerikaanse regering vond dat criminelen als criminelen dienden te worden behandeld. Desondanks werd Noord-Ierland enorm gesteund door de Amerikaanse bevolking, waar het grootste deel van de IRA financiën vandaan kwam. De International Longshoremen’s Association, een Amerikaanse havenvereniging, besloot om voor 24 uur alle Britse schepen te boycotten. Meer dan duizend mensen verzamelden zich bij de St. Patrick kathedraal in New York om hun steun aan Noord-Ierland te betuigen. De Ierse pubs in Amerika werden gedurende 24 uur gesloten. In Hartford, Connecticut, werd in 1997 een monument ter ere van Bobby Sands en de andere hongerstakers opgericht. Het monument werd gefinancierd door de Ierse Amerikanen die tijdens de hongersnood massaal naar Amerika waren geëmigreerd.

In 2001 is er in Cuba een monument opgericht ten nagedachtenis van Sands en de oorlog in Noord-Ierland.

Ook Azië liet duidelijk van zich horen. In Teheran, gingen Iranese sympathisanten voor de Ierse zaak de straat op. Zij hernoemden de straat waar het Britse consulaat gevestigd was van de Winston Churchill Street tot de Bobby Sands street. De Hindustan Times verkondigde dat Margaret Thatcher haar mede-parlementslid heeft laten doodhongeren, een misdaad die nooit mogelijk zou kunnen zijn in een ‘beschaafd’ land. In het parlement van India kondigden oppositieleden van de eerste kamer Rajva Sabha een minuut stilte aan ter nagedachtenis aan de Ierse slachtoffers. De regerende Congress party weigerde dit, waarschijnlijk door hun connecties met het Britse parlement.  In Hong Kong werden de vlaggen half stok gehangen en vermeld dat de Britse regering de laatste religieuze en culturele oorlog had verloren. In Australië zijn een groot aantal monumenten voor de Ierse onafhankelijkheid gebouwd, waarin ook aandacht werd besteed aan de hongerstakingen.

Ondanks het duidelijke signaal dat de wereld heeft afgegeven, is het nog niet gelukt de Britse regering ervan te overtuigen dat zij in het grootste gedeelte van Groot-Britannië de Keltische bevolking onderdrukt. Sterker nog, de Britse regering weigert tot op de dag van vandaag Gaelic als een officiële taal te erkennen.

Zie ook:

De Ierse kwestie
Sinn-Fein

Celtic Webmerchant:

                 
Oprichting Ierse republiek € 41,95   Verdrag van Fontaine bleau € 36,95       Declaration of Arbroath € 36,95

 

 
 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.