|
|
|
||||
|
|
Iona
Wanneer men van de ferry de
eerste voet op Iona zet en de eerste indrukken in zich opneemt, is het
goed te begrijpen waarom Colum Cille, Columba, in 563 n.Chr. juist op
dit eiland zijn klooster stichtte. Ondanks dat het eiland elk jaar
140.000 bezoekers
Iona is een klein eiland, ongeveer 5,5 kilometer lang en op zijn breedst 2,4 mijl breed. Het ligt ongeveer anderhalfve kilometer van de zuidwestpunt van Mull. Sinds 1979 is het onder beheer van het National Trust for Scotland. Het enige dorp heet Baile Mòr (Gaelic: groot dorp), dat gebouwd is bij de ferryhaven en vlak bij de abdij.
Geschiedenis van Iona
Het eerste klooster was van
hout en aarde. Mogelijk was het gemaakt zoals sommige andere Ierse
kloosters en bestond het uit verschillende, bijenkorfvormige cellen die
rond een kerk waren gegroepeerd.
Aan het eind van de 7de eeuw, de tijd van Colum Cilles biograaf Adomnán, 9de abt van Iona, was geheel Pictland bekeerd en hadden de volgelingen van Colum Cille op Lindisfarne een dochterklooster gesticht. Het eiland werd door Vikingen geplunderd in 795, 802, 806 en 825. Tijdens de tweede plundering werd het originele, houten klooster in brand gestoken en 68 van de monniken vermoord. Er werd aan een stenen klooster begonnen in 818 op de plaats van de huidige abdij. Deze werd echter beschadigd bij de Vikingaanval in 825 en in 849 werden de relieken van de gemeenschap, waaronder de relieken van Columba en waarschijnlijk het Book of Kells, naar Dunkeld en Kells overgeplaatst. Ook het grootste deel van de orde verhuisde naar Kells. Desondanks bleven er pelgrims naar Iona komen en de begraafplaats van de abdij, Relig Odhráin, bleef dienst doen als begraafplaats van koningen van Schotland. MacBeth was in 1057 de laatste van deze koningen. Mogelijk vanwege deze belangrijke traditie probeerde koningin Margaret de abdij weer in ere te herstellen, maar dit was weinig succesvol.
In 1200 besloot Reginald
MacDonald van Islay, een van de zoons van Somerled, de oude tradities te
doen herleven en Iona opnieuw het kloppende hart
In de 15de eeuw werd er nog meer gebouwd en veranderd aan de abdij, met name aan de kerk. De bouw van een grote zijbeuk werd gepland, maar vlak nadat de bouwwerkzaamheden waren gestart, werden ze om onbekende redenen gestaakt. In 1560 brak Schotland officieel met de rooms-katholieke kerk en werd het een protestantse natie. Hoewel de abdij niet werd gesloopt en gebruikt voor huizenbouw, raakte hij wel buiten gebruik en verviel. Ook werden verschillende monumenten slachtoffer van vandalisme, van de 357 stenen kruizen die over het eiland verspreid waren, zijn er nog maar enkele over. Charles de 1ste heeft rond 1630 nog geprobeerd om van de abdij een kathedraal van de eilanden te maken, maar dit lukte niet. De volgende 200 jaar verviel de abdij tot een ruïne. De spiritualiteit bleef echter altijd bestaan. Vandaag de dag is een groot deel van de abdij weer in ere hersteld. Dit komt deels door toedoen van de 8ste earl van Argyll. Hij wees een architect aan om de ruïne te behouden. In 1899 gaf hij het beheer van de abdij, het nonnenklooster, de kapel van St Oran en de begraafplaats Relig Odhráin, over aan het Iona Cathedral Trust. In 1902 begon hieronder begon de restauratie van de abdij, het schip was in 1910 klaar. In 1938 werd de Iona Community opgericht, met als doel de andere kloostergebouwen weer in gebruik te stellen. Dit project was klaar in 1965, met een geheel nieuw westelijk deel bijgebouwd. Tegenwoordig is de abdij te bezichtigen en zijn er regelmatig kerkdiensten bij te wonen door bezoekers. Hij wordt beheerd door Historic Scotland. De Iona Community verzorgt vandaag de dag themaweken in onder andere de abdij zelf.
Het nonnenklooster Het klooster bestond uit vier delen rond een kruisgang heen en zou vroeger zeer indrukwekkend zijn geweest. De kerk lag aan de noordkant en zou het hoogste gebouw zou zijn. Twee muren staan nog grotendeels overeind en ook de noordelijke beuk. Het schip aan de westkant kon door pelgrims worden gebruikt. Aan de oostelijke muur stond de kansel, die door de nonnen zelf gebruikt werd. Aan de zuidkant lag de refter of eetzaal van de nonnen. Aan de oostkant, nu alleen nog lage, vervallen muren, lagen drie kamers met daarboven waarschijnlijk het dormitorium, de slaapzaal. Aan de westkant staat nog een muur van het gebouw dat door de bouw van de weg verloren is gegaan. Iets ten noorden van het nonnenklooster ligt St. Ronans kerk, Iona’s parochiekerk van 1200 tot 1560. Nadat deze door de Reformatie in onbruik was geraakt, had het eiland geen parochiekerk tot 1828 met de bouw van een nieuwe kerk. St. Ronans kerk werd in 1923 en 1993 gerestaureerd en is niet voor publiek toegankelijk.
Reilig Ohran De kapel is jonger dan de Relig Odhráin. Odhráin of Oran was één van Columba’s volgelingen, die naar verluidt vrijwillig levend begraven werd om te voorkomen dat de muren van de door Columba gebouwde kapel in zouden storten. De eerste graven komen waarschijnlijk uit de tijd van Dál Riata. Vandaag de dag worden er nog steeds af en toe mensen begraven. Wanneer een lichaam op Iona aankwam, werd dat via de Sraid nam Marbh – de straat van de doden - in processie naar de laatste rustplaats gebracht. De grafstenen uit de middeleeuwen, waaronder die van 48 Schotse, acht Noorse en vier Ierse koningen, zijn al sinds lange tijd bijna onleesbaar. Er zijn twee lage hekken die enkele grafstenen omsluiten, de ene collectie wordt de ‘tomben van de koningen’ genoemd en de ander ‘de tombe van de chiefs’. Tegenwoordig zijn 30 van de belangrijkste stenen verwijderd vanwege erosie en deels tentoongesteld in het Infirmary Museum.
De abdij Wanneer men de abdijgrond betreedt, ligt aan de linkerkant een heuvel, waarvan gezegd wordt dat hier de cel van Colum Cille zich bevond. Inderdaad hebben opgravingen uitgewezen dat er ooit een gebouw moet hebben gestaan. Aan de rechterkant van het complex van het klooster bevindt zich de kerk en links het klooster zelf. Tegen de kerkmuur aangebouwd is een kleine kapel, St Columba’s shrine, die in de 15de eeuw gebouwd is. Er werd gedacht dat dit de plek was waar Colum Cille was begraven. De kerk zelf is ruim. Aan de rechterhand zijn meteen enkele grafstenen te zien van de begraafplaats. Onder de kerk zelf zijn monniken begraven. De stenen waar ze onder liggen worden met een kruisje gemarkeerd. Wanneer men door het schip loopt, komt men aan de rechterkant het praalgraf van de earl van Argyll en zijn vrouw tegen. Het interessante is, dat de earl zelf helemaal niet op Iona is begaven, maar zijn vrouw wel. Dat wordt aangeduid door de kronen op het praalgraaf, bij de earl ligt zijn kroon bij zijn voeteneinde en zijn vrouw draagt de hare. Zo ongeveer recht tegenover het praalgraf is een zijbeuk aan de andere kant. Daar is onder andere een prachtig glas in loodraam te zien. Het altaar heeft een prachtige altaartafel van marmer. Aan de rechterkant ligt het grafmonument van een abt. Aan de rechterkant is een beuk waar men kaarsjes aan kan steken. Van het klooster is met name de kruisgang erg mooi. De oude pilaren worden afgewisseld met nieuw gebeitelde exemplaren waar erosie de originelen teveel heeft aangetast. Langs de wanden van de kruisgang hangen overal grafstenen uit de Relig Odhráin. Na het bezoeken van de kapel, kerk en abdij moet het Infirmary Museum zeker niet overgeslagen worden. Dat is te vinden door langs de abdij heen te lopen en het pad mee naar rechts te volgen. Aan de linkerhand is dan het museum te zien, waar verschillende grafstenen en delen van staande kruizen te zien zijn. Ook ligt er de steen waarvan het gerucht gaat dat het door Colum Cille als kussen werd gebruikt. Hij werd in 1870 opgegraven door een boer wiens kar er elke keer tegenaan stootte.
De staande kruizen MacLean’s cross is het jongste kruis, dat dateert uit de 15de eeuw. Hij staat langs de weg naar de abdij en is aan beide zijden gegraveerd. Hij is uit één stuk, 3 m hoog steen gemaakt. Aan de voorkant toont hij bij de ring twee dieren, aan de achterkant een kruisigingsscène. De onderkant is versierd met een krijger te paard, mogelijk degene die de opdracht gaf tot het maken van het kruis. De rest is versierd met abstracte knoopmotieven.
Zie ook: Bronnen: - Anderson, A.O. and Anderson, M.O. ''Adomnan's life of Columba'', (Edinburgh 1961) - Graham, H.D. ''Antiquities of Iona'', London 1850
- F. McCormick, J. Coy, S. Hamilton/Dyer, S. Carter,
D. Hall, A. Macsween, R. Tipping, D. W. Hall - J. Huband Smith, ''Iona'', Ulster Journal of Archaeology, First Series, Vol. 1 (1853), pp. 79-91 - P. J. O´Reilly, The Site of Columb's Monastery on Iona, The Journal of the Royal Society of Antiquaries of Ireland, Fifth Series, Vol. 10, No.4 (Dec. 31, 1900), pp. 334-342
|
|
|||
|
Gesponsord door Celtic Webmerchant:
|
|||||
|
copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||||