Brehons recht & het Christendom

In tegenstelling tot de Spanjaarden en de Franken was de kerk niet betrokken bij het opstellen van de seculiere wet- en regelgeving. Ierse bisschoppen zaten niet met brithemna (rechters) en koningen rond de tafel om de rechtsgang in het land aan te passen. 6de eeuwse bronnen waarschuwen de geestelijke om niet betrokken te raken bij het Ierse rechtsstelsel. De geestelijken waren eveneens niet bevoegd als adviseur voor de koningen te dienen. Rond de 7de eeuw was dit bij bijvoorbeeld de Spanjaarden, Franken als Visigothen wel het geval. Dit in ogenschouw nemend, lijkt het erop dat het Oud-Ierse recht zijn best deed niet vermengd te raken met het christendom en diens wetten. Mogelijk is dat één van de redenen waarom de wetten in het Oud-Iers en niet in het Latijn zijn opgetekend. We weten immers zeker dat de geleerden van het oude Ierland Latijn kenden.

Het christendom bracht het Latijnse schrift naar Ierland. Na de stichting van verschillende kloosters werd het grootschalig gebruikt in het land, waardoor er veel informatie over het oude Ierland en de Keltische wereld in de middeleeuwen bewaard gebleven. Ook de Oud-Ierse wetten werden opgeschreven.

Er is slechts één voorbeeld van een Ierse wettekst die uit het Latijn is vertaald. Mogelijk was dit om de oorspronkelijke tekst te laten lijken op de oude, Ierse wetten. De tekst is het eerste bewijs van beïnvloeding van het Oud-Ierse recht door het kerkelijk recht.

Vanaf de tweede helft van de 7de eeuw nam de macht van de kerk in Ierland toe, zelfs het Ierse recht werd langzaamaan beïnvloed door deze nieuwe religie. Het samenvoegen van het wereldlijke en het kerkelijke recht liep ongetwijfeld tegen veel tegenstrijdigheden op. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij polygamie, werd een compromis geaccepteerd. De kerk bestreed het, maar met weinig succes. De Ieren deden daarbij een beroep op het oude testament. De mensen in de bijbel hadden meerdere huwelijken, dus daarom mochten de Ieren dat ook. Deze wet is echter op den duur met succes bestreden en in onbruik geraakt.

Christendom en macht

Het christendom speelde al vroeg in de middeleeuwen een rol om rekening mee te houden. In Ierland werd het christendom al rond de 4de eeuw overgenomen als een algemene religie. Christelijke kloosters sloten allianties en vochten conflicten uit onder elkaar. Al hadden geestelijken geen officiële geleerde status, toch hadden zij ook buiten de túath (stam) van hun klooster status en invloed, zoals oorspronkelijk alleen filid (geleerden) hadden. De kerk was meer dan een plaats voor mannen en vrouwen om te bidden. Veel vrije en onvrije mensen dienden de kerk, die over het algemeen door een abt werd geleid. De kerk had relatief veel bezittingen in goederen en land. Vooraanstaande geestelijken, zoals sint Columba, waren over het algemeen van koninklijk bloed, de kerk was een middel om via een andere weg carrière te maken. Door deze invloeden werd de kerk al snel een invloedrijk machtsblok die in staat was om privileges te geven.

Christendom en heidenen

In Muichú’s 7de eeuwse leven van St Patrick wordt een bisschop beschreven. In zijn gebied leeft een grotendeels heidense gemeenschap en het verhaal geeft ons inzicht in hoe het christendom de heidenen bekeerde. Het christendom onderhield nauwe banden met de koningen en rechters van Ierland en gaf hen veel geschenken. Vaak kwamen zoons van koningen en rechters die geen groot aandeel in de erfenis kregen, in dienst van de kerk en zo werden de belangen aan elkaar gekoppeld. Maar het christendom richtte zich niet alleen op de bovenste lagen van de gemeenschap. Sint Patrick bekeerde vele slaven die hun geloof door hun lage, verwaarloosde positie nog harder nodig hadden.

De eveneens 7de eeuwse tekst de Synode van St Patrick laat een half gekerstend Ierland zien, waarin de kerk en haar volgelingen veelvuldig contact hadden met heidenen. In de Synode werd bepaald dat een christen geen eed mocht afleggen voor een druïde en dat de kerk een heiden niet mocht steunen, noch een gift van een heiden mocht accepteren.

De Synode van St Patrick verplicht een geestelijke niet zich aan het celibaat te houden. Het gebood wel dat elke geestelijke, van koster tot priester, wiens vrouw zonder hoofddoek buiten liep, per direct uit de kerk gebannen moest worden. Aan de andere kant werd rond dezelfde tijd vermeld dat seksueel contact tussen een geestelijke en zijn vrouw een grote zonde was, even erg als het vreemdgaan met een andere vrouw. Het Latijnse woord voor echtgenote, uxor, geeft aan dat bij de kerk monogamie als gebruikelijk werd gezien.

Christendom en de wet

Rond de 7ste en 8de eeuw lijkt het dat de kerk het gewonnen had van de oude religies. De druïden verdwenen uit de bronnen en hun plaats in de gemeenschap was overgenomen door de kerk. In de wetteksten wordt vanaf deze tijd een hoog geplaatste geestelijke gelijk gesteld aan een koning. De auteur van Críth Gablach (‘vertakte aankoop’, een wettekst over status) vraagt zich af wie nobeler is, de koning of de bisschop.  In Uraicecht Becc (‘klein getijdenboek’, eveneens een tekst over status) krijgt een bisschop de eerprijs van 14 cumals, vrouwelijke slaven, even veel als de eerprijs van een rí ruirech, provinciale koning. Zelfs een geestelijke die niet een kerkelijke orde zat, behield zijn eerprijs. De eerprijs van een geestelijke hing grotendeels af van het aanzien dat de kerkelijke gemeenschap genoot. Volgens een wettekst waren er drie kerkelijke rangen van wie de doorslaggevende getuigenis niet eens door een koning kon worden verworpen, de suí (abt), de bisschop en de kluizenaar. 

Aan de andere kant werd de eerprijs van een geestelijke bepaald door zijn kwalificaties en zijn gedrag tegenover de samenleving. De auteur van Bretha Nemed toísech (‘eerste uitspraak over bevoorrechten’) ziet de relatie tussen de kerk en de gemeenschap als een contact. Om dit contract geldend te maken, moest de kerk goed zijn voor de gemeenschap. Haar monniken moesten vroom zijn om hun superioriteit te verdienen. De zeven gradaties van geestelijken moesten voldoende gekwalificeerd zijn en de bevolking van de mis, doop, communie en andere sacramenten bedienen. Een andere wettekst, Córus Béscnai (‘het bevel van discipline’), beschrijft een vergelijkbare benadering. Als een geestelijke zijn plicht niet vervulde of schuldig werd bevonden aan misdaden, werd het contract tussen de kerk en bevolking geschaad. Wel hadden drie kerkelijke rangen doorslaggevende getuigenissen, waardoor ze waarschijnlijk hun ondergeschikte geestelijke juridisch konden indekken.

Als een kerk een broedplaats van dieven of een plek van zonden werd, kon deze zonder verdere vervolging worden vernietigd. Seksuele activiteiten werden binnen de kerk hard aangepakt, maar in de praktijk lijkt het erop dat de kuisheid van de geestelijken nooit door een controlerende macht in de gaten werd gehouden, behalve in sommige periodes tussen de 8ste en 12de eeuw. Een 7de eeuwse wettekst Di Astud Chirt 7 Dligid (‘over de bevestiging van recht en wet’), vermeldt dat de bisschop werd afgezet omdat hij niet puur genoeg was. Triade 96 somt de drie rampen voor een túath op, een onteerde heer, een oneerlijke rechter en een losbandige priester. Daarnaast zijn er andere wetteksten die mogelijkheden geven om een priester die buiten zijn boekje was gegaan in ere te herstellen. Als een geestelijke een vrouw had zwanger gemaakt, dan werd hij geseculariseerd (buiten de kerk geplaatst) en moest hij de verantwoordelijkheid voor het kind dragen. Hij kon echter ook in de kerk blijven en door boetedoening voor zijn zonde gestraft worden. In dat geval werd de vrouw met haar kind aan haar lot overgelaten.

Een andere tekst vermeldt dat een bisschop, in tegenstelling tot alle andere vaders, niet verplicht was om boetes voor of schulden van zijn zoons te betalen. Het is waarschijnlijk dat overtredingen door geestelijken tegen de gemeenschap op dezelfde manier in boetes werden betaald als in de gehele maatschappij gebruikelijk was. Daar bovenop werd een geestelijke binnen de kerk nog eens door zijn superieure volgens de kerkelijke regels gestraft. Bijvoorbeeld als een geestelijke een burger had vermoord, zou hij tien jaar in ballingschap moeten doorbrengen, waarvan zeven in afzondering. Burgers die een geestelijke iets aandeden, dienden een extra hoge boete te betalen, net als bij vernieling van eigendom van de kerk. 

Zie ook:

De Ierse samenleving
Gaelic clanstelsel

Oud-Iers recht
Land & Economie in het Iers recht

Bronnen:

- Kelly F., ''A guide to Early Irish law'', (Dublin, 2009)

- Binchy DA ,''Corpus Iuris Hibernici ed''. (Dublin 1978)

 

 

 

 

Gesponsord door Celtic Webmerchant:

          
Keltisch kookstel € 109,90                       Keltisch sieraad € 12,50            Keltische helm € 295,-
 

copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact