De Paasopstand

De Engelsen hadden de Ieren sinds de verovering van Ierland nooit begrepen. Ze begrepen niet dat het grootste gedeelte van de Ieren Engels sprak, las en schreef en vaak van Anglo-Normandische afstamming was. Daarnaast begrepen ze niet dat juist in deze klasse de leiders van het Ierse volk ontstonden. Dit onbegrip werd veroorzaakt, doordat de Engelsen niet in wilden of konden inzien dat de Ierse leefwijze, ondanks eeuwen van onderdrukking, superieur aan de Engelse was gebleken.

De organisaties

De Irish Republican Brotherhood (IRB) werd in 1858 gesticht. Het was een geheime organisatie met 2.000 leden, voornamelijk intellectuelen, van binnen en buiten Ierland. Hun doel was de Ierse onafhankelijkheid en zij werden de drijvende kracht achter de opstand.

De Irish Nationalist Party was een grote organisatie, waar de Irish Volunteers deel van uitmaakten. De Irish Volunteers hadden 200.000 leden, waarvan er 2.000 waren getraind en bewapend. Een min of meer onafhankelijk onderdeel van de Volunteers was de paramilitaire vrouwenorganisatie Cumann na mBan.

De kleinste organisatie was het Irish Citizen Army, geleid door James Connolly. Deze was opgericht ter bescherming van een socialistische bond en bestond uit maximaal 250 bewapende leden. Zij werden gesteund door de gravin Markiewicz als officier.

Tegenover de Ierse troepen, stond een grote, pro-Britse krijgsmacht. Deze bestond uit de Royal Irish Constabulary (RIC), een gewapende politiemacht, met Dublin Castle als hoofdkwartier. De 1.000 man sterke politiemacht van Dublin was zelf niet gewapend, maar had wel wapens beschikbaar. Een speciale tak hiervan was belast met de taak de republikeinse beweging in de gaten te houden. Naast de politie was er een groot leger en de Ulster Volunteers,

De voorbereidingen

Sinds de Act of Union van 1800, waardoor Ierland en Groot-Brittannië samen werden genomen tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, vonden er twee soorten van tegenstand tegen deze unie plaats: fysiek en politiek.

Daniel O’Connell had in 1840 de Repeal Assocation (RA, Annuleringsassociatie) gesticht om de Act of Union terug te roepen en probeerde dit via het House of Commons en massale bijeenkomsten. Een groep die zich de Young Irelanders noemde, splitste zich van de RA af in 1846 en stichtten de Ierse confederatie, die de mislukte opstand van 1848 begon. Deze opstand werd veroorzaakt en versterkt door de aardappelcrisis, waarin ongeveer één miljoen Ieren stierven door uitputting en ziekte en een even groot aantal moest emigreren naar Amerika om dit lot te ontwijken. Ook een opstand in 1867 werd de kop ingedrukt, maar de Fenians bleven bij elkaar komen. In 1873 hielden ze een grote vergadering in Dublin en namen ze de naam Irish Republican Brotherhood (IRB) aan. Er werd besloten dat de IRB als parlement in een eventuele Ierse republiek zou optreden en hun voorzitter als president.

In de politiek hadden de Home Rule League en diens opvolger de Irish Parliamentary Party veel succes. Een groot deel van de leden werd afgevaardigd naar Westminster en zij probeerden driemaal een eigen regering voor Ierland te bewerkstelligen.

De Ulster Unionists waren tegen een eigen regering en vormden begin 1913 de Ulster Volunteer Force (UV) om de intrede van zelfbestuur met harde hand een halt toe te roepen. Als een reactie hierop vormden de nationalisten een half jaar later de Irish Volunteers. Op 18 december 1914 kreeg de laatste zelfbestuurswet inderdaad koninklijke goedkeuring, maar werd uitgesteld door de pas uitgebroken Eerste Wereldoorlog. De Eerste Wereldoorlog zorgde bovendien voor een splitsing in de Irish Volunteers, waarbij het grootste gedeelte de Britten in de oorlog steunde. Ondertussen nam de IRB onder leiding van Thomas Clarke en Sean MacDermott zijn kans waar en begon een opstand voor een onafhankelijke Ierse republiek te plannen.

De planning van de opstand begon vlak na de oorlogsverklaring aan Duitsland. Het bestuur van de IRB kwam in Dublin bijeen en besloot te profiteren van de Britse moeilijkheden. Er werden drie beslissingen gemaakt: de IRB zou een militaire raad oprichten, hulp van Duitsland zoeken en de steun van de Volunteers verwerven. De leden wisten echter dat de oprichting van een Ierse republiek niet met een opstand zou lukken.

Inderdaad richtte de penningmeester van de IRB, Thomas Clarke, een militaire raad op om de opstand te plannen. Deze raad bestond uit Padraig Pearse, Eamonn Ceannt, Joseph Plunkett, Sean Mac Diarmada en hemzelf. Zij waren allen, behalve Clarke, zowel lid van de IRB als de Irish Volunteers. Ook infiltreerden IRB-leden in verschillende organisaties, Sinn Féin bijvoorbeeld, om de drang naar verandering aan te wakkeren.

Joseph Plunkett, zijn vader en een vertegenwoordiger van de Irish Volunteers reisden af naar Duitsland voor onderhandelingen, terwijl in Amerika Roger Casement van de Volunteers onderhandelde met de Duitse ambassadeur. Er werd overeengekomen dat Duitsland Ierland wapens zou leveren en na een geslaagde opstand als onafhankelijke staat zou erkennen.

In januari 1916 nodigde de IRB de Irish Citizen Army (ICA) uit om mee te doen aan de opstand, omdat de ICA-leider, James Connolly, had gedreigd zelf een opstand te beginnen met zijn legertje van nauwelijks 200 man sterk. De datum van de opstand werd vastgesteld op Paaszondag. Op die dag zouden de opstandelingen namelijk gedekt zijn door de parades van de Volunteers, waartoe Padraig Pearse had bevolen. Het idee hierachter was dat de republikeinen zouden weten wat er ging gebeuren, terwijl de wat mildere leiders als Eoin MacNeill, oprichter van de Volunteers, dat niet wisten. MacNeill kreeg echter lucht van de plannen en dreigde alles te doen om de opstand te verhinderen.

Sean Mac Diarmada wist hem te overtuigen door te vertellen dat een schip met Duitse wapens als ondersteuning in het graafschap Kerry aan zou komen. MacNeill besefte dat de vondst van het schip onvermijdelijk tot de onderdrukking van de Volunteers zou leiden en zegde toe te helpen.

Het schip werd echter toch gevonden, Roger Casement werd gevangen genomen en MacNeill keerde terug op zijn oude standpunt. Hij beval de parades af te lassen en verminderde daardoor het aantal soldaten. In een spoedberaad in Dublin werd besloten de acties tot paasmaandag 24 april uit te stellen. De opstandelingen waren zich er echter bewust van, dat de opstand een wanhoopsactie was.

De opstand

Rond 12 uur ’s middags begon de opstand, met  1.000 tot 1.500 mannen en vrouwen van de Volunteers, IRB, ICA en de Cumann na mBan, een republikeinse vrouwenorganisatie. Een team vrijwilligers bestormde het wapendepot van Magazine Fort in het Phoenix Park. Ze ontwapenden de wachters, plaatsten werkende explosieven, maar konden geen wapens te pakken krijgen. Tegelijkertijd verplaatsten de bataljons zich naar de bestemde posities.

De vier bataljons van de Volunteers die in Dublin de opstand steunden, waren door MacNeills bevelen flink uitgedund. Ze bezetten onder leiding van Ned Daly, Thomas MacDenogh, Éamon de Valera – de latere president – en Éamonn Ceannt het gerechtsgebouw van de Four Courts, Jacobs biscuitfabriek, Bolands bakkerij, de weg en spoorweg vanuit de haven van Kingstown en het werkhuis van de South Dublin Union in. Een resterende eenheid van 400 leden van de Irish Volunteers en de ICA nam St. Stephen’s green in.

Sean Connolly’s eenheid viel Dublin Castle aan, schoot een politieman neer, overmeesterde de soldaten in de wachtruimte, maar drukte de aanval niet door. Dublin Castle werd niet veroverd, omdat de poorten op tijd werden gesloten. Wel wisten de Ieren de telefoonlijnen te blokkeren, waardoor de Britten in Dublin castle geen verbinding meer hadden. De opstandelingen bezetten het gemeentehuis en begonnen in St. Stephen’s green loopgraven en barricaden aan te leggen. In de Four Courts werden onder leiding van Eamonn Daly wetboeken gebruikt voor het aanleggen van hindernissen. Ook de nabijgelegen koninklijke universiteit voor chirurgie werd ingenomen.  

De mannen bij de Four Courts waren de eerste die een serieuze confrontatie aangingen.  De 5de en 8ste divisies van lansiers en een deel van het 6de reserveregiment van de cavalerie escorteerden een munitiekonvooi toen ze onder vuur kwamen van het eerste bataljon kwamen. Ze moesten toevlucht zoeken in de huizen van de Ierse burgers.

Sean Connolly trok na de aanval op Dublin Castle door naar het hoofdpostkantoor. Zijn eenheid deed een charge, stuurde klanten en personeel weg en nam een aantal Britse soldaten gevangen. Daarna maakte de leider het postkantoor tot het hoofdkwartier van de opstand. Er werden twee Iers-republikeinse vlaggen gehesen. Een korte tijd later kwam Padraig Pearse naar buiten en riep de Ierse Republiek uit door de onafhankelijkheidsdeclaratie voor te lezen. Uit deze verklaring sprak niet alleen een zucht naar vrijheid, maar ook een verlangen naar gelijkheid, wat de gemiddelde Ier door de discriminerende wetten van zijn overheersers nooit had gekend.

Aan de Britse zijde heerste veel verwarring. Een deel van de legerofficieren was niet op hun post en het duurde lang voordat er versterkingen konden worden opgeroepen. Uiteindelijk werd het andere gedeelte van het 6de reserveregiment van de cavalerie vanuit de Malborough Barracks naar Dublin gestuurd om de situatie bij het postkantoor te onderzoeken. Toen ze het postkantoor naderden, openden de opstandelingen vuur, doodden drie cavaleristen en verwondden een ander. De troepen moesten naar de barakken terugtrekken. Ook de Ieren hadden problemen. Zij hadden geen telefoon en door de gevechten was communicatie per loopjongen moeilijk zo niet onmogelijk.

Verschillende Britse regimenten naderden de stad en hadden wisselend succes. Ze concentreerden zich allereerst op het werkhuis van de South Dublin Union, namen het nabijgelegen hoofdkwartier van het Britse leger in en probeerden daarvandaan het werkhuis in te nemen. Verschillende aanvallen mislukten, maar door de Britse overmacht moesten een deel van de opstandelingen daar, in het oostelijke gedeelte, zich overgeven.

Op dinsdag zetten de Britten de ingangen tot Dublin Castle af, bang voor een nieuwe aanval, en isoleerden ze  de Liberty Hall, de zwaarbewaakte verblijfplaats van James Connolly, waarvan ze dachten dat dit het hoofdkwartier van de opstand was. Dezelfde morgen namen ze het gemeentehuis in.  De Britten positioneerden artillerie in het Trinity College en het stoomschip HMY Helga. Op dinsdagavond werd een noodtoestand uitgeroepen, terwijl het plunderen van Dublin begon. Er werden drie onschuldige journalisten doodgeschoten door een Engelse officier, omdat ‘ze probeerden te vluchten’.

Tegen woensdagmorgen waren de Ieren in een minderheid van twintig tegen een en de Britse aanval begon. Allereerst begonnen de kanonnen van de Helga de Liberty Hall te bombarderen. Dit was echter voorvoeld en het gebouw was leeg. Het Britse vuur was onzorgvuldig gemikt en veel andere gebouwen werden vernietigd, burgers gedood. Dublin begon te branden, haar inwoners te hongeren – er was geen voedselaanvoer meer. De tegenstand was geen politieactie meer, maar een volledige oorlog waarin niet werd geprobeerd de burgers te sparen. Ondertussen zetten de mannen van De Valera een hinderlaag en brachten veel schade toe aan Britse versterkingen, die desondanks hun weg voortzetten. De opstandelingen in St. Stephen’s green onder leiding van de ICA-commandant Michael Mallin kregen het moeilijk. Ze werden ingesloten door Britse sluipschutters en soldaten met machinegeweren en moesten daardoor terugtrekken naar het gebouw van de koninklijke universiteit voor chirurgie. De rebellen die nog in de South Dublin Union waren, hinderden de Britten ook, terwijl ze naar Dublin Castle probeerden te gaan.

Op donderdag arriveerden nieuwe versterkingen uit Engeland. Dit waren grotendeels ongetrainde mannen die, toen ze merkten dat de rebellen geen uniformen droegen, willekeurige mannelijke burgers begonnen neer te schieten. Bolands bakkerij werd aangevallen en de mannen in de South Dublin Union moesten terugwijken. Het hoofdpostkantoor werd beschoten en begon te branden. Connolly, die zich daar bevond, raakte tweemaal gewond, de eerste wond verborg hij maar de tweede was een voetwond die hem veel pijn bezorgde. Met morfine bleef hij overeind en gaf hij zo goed als hij kon aanwijzingen. Tot nu toe hadden de grote verzamelplaatsen stand gehouden.

Op vrijdag beval Connolly de vrouwen die zo dapper hadden gevochten het hoofdpostkantoor te verlaten, dat in brand stond en geen verbindingen naar buiten meer had. Later op de dag ontvluchtten ook hij, Padraig Pearse en zijn andere mannen het gebouw dat op instorten stond. Ze vonden vlakbij nieuw onderdak, terwijl het lege gebouw nog steeds onder vuur lag. Een laatste gevecht werd in King’s Street, vlakbij de Four Courts, gevochten. 5.000 Britse soldaten met pantserwagens en artillerie deden er ongeveer 28 uur over om 140 meter te winnen op 200 rebellen. Rond die tijd doodden de troepen van het South Staffordshire Regiment ongewapende burgers die zich verschuilden in kelders. Alles was voorbij.

Op zaterdag 29 april gaven Pearse en Connolly zich onvoorwaardelijk over. Ze wisten dat ze niet zouden kunnen doorbreken en dat de burgers slachtoffers zouden worden als ze door zouden gaan.

Gevolgen van de opstand

Bij het Britse leger vielen in totaal 116 doden, 368 gewonden en werden 9 personen vermist. Ook stierven 16 politiemensen en raakten er 29 gewond. Onder de Ieren vielen 318 doden en 2.217 gewonden. Het grootste gedeelte van Dublin lag in puin, de schade wordt geschat op 2,5 miljoen pond.

Onmiddellijk na de opstand warden 3.430 mannen en 79 vrouwen gevangengenomen, waarvan een deel niet aanwezig was geweest. Een groot deel van deze gevangenen werden al snel weer vrijgelaten. Vanaf 2 mei 1916 vonden de processen tegen de deelnemers plaats. 90 mensen werden ter dood veroordeeld. Vijftien van hen werden tussen 3 en 12 mei geëxecuteerd, waaronder de zeven ondertekenaars van de proclamatie van de Ierse republiek, waarvan James Connolly zwaar gewond was. Niet alle geëxecuteerden waren de leiders van de opstand, sommigen waren niet eens aanwezig. De straffen werden pas aan het volk bekend gemaakt, als ze al waren voltrokken. Een deel van de veroordeelden werden niet gedood, hieronder bevond zich ook Eamon de Valera, commandant van het 3de bataljon.

De geëxecuteerden werden begraven in de oude begraafplaats van de gevangenis van Arbour Hill en hun graven werden nationale monumenten, waar ze als martelaren voor hun land werden vereerd.

1.480 mensen werden in Engeland en Wales gevangengezet. Dit werden de broedplaatsen van een nieuwe opstand, waar onder andere Michael Collins gevangen zat. Hierdoor luidde de Paasopstand het begin in van de Ierse onafhankelijkheidsoorlog.

Zie ook:

De Ierse kwestie
Sinn-Fein

Bobby Sands

Celtic Webmerchant:

                 
Oprichting Ierse republiek € 41,95   Verdrag van Fontaine bleau € 36,95       Declaration of Arbroath € 36,95

 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.