Schepen van de Ierse zee

 

Het is lastig een beeld te schetsen van de schepen die de bevolking van de eilanden gebruikten. Met behulp van het replicaschip de Aileach heeft recent onderzoek uitgewezen wat een galei ongeveer kon vervoeren en hoe wendbaar hij was in de Ierse Zee. Daarnaast worden er enkele vermeldingen over de galeien gemaakt in zowel Engelse, Ierse als Schotse bronnen. 

Dit beeld kan worden ondersteund door een ander onderzoek. Het type galei dat werd gebruikt, heeft veel weg van de eerdere Vikingschepen, met name van de snekkje en de karvi. Onderzoek naar het leven aan boord van deze Vikingschepen kan  inzicht bieden over het leven op een galei van de Ierse Zee. Niet alleen lijken de schepen erg veel op elkaar, de Viking en de Keltische cultuur hebben honderden jaren naast elkaar bestaan en hebben elkaar wederzijds beďnvloed. Het is heel goed mogelijk dat dit ook op het gebied van scheepvaart was en dat de Vikingschepen iets kunnen vertelen over hoe de galei was gebouwd en wat de mogelijkheden ermee waren. Het is een relatief betrouwbare manier van redeneren, maar omdat er niets is bewezen, kunnen de bevindingen niet als vaststaande feiten worden aangenomen.

Functies
In de middeleeuwen moeten de meeste eilanden elk op zichzelf aangewezen zijn geweest. De bewoners verbouwden hun eigen voedsel en teelden hun eigen vee, daarnaast moeten ze zelf, zonder hulp van buitenaf, bijvoorbeeld huizen hebben gebouwd en gereedschappen hebben gemaakt. Aangezien schepen afhankelijk zijn van wind en tij, is het niet mogelijk dat op sommige eilanden per uur een verbinding was met een groter eiland in de buurt.

De verbindingen die er waren, waren vermoedelijk vrij grootschalig. Iedere handelaar moet zijn connecties met de zee hebben gehad en samenleven met de zee was bij deze cultuur één van de belangrijkste dingen in het dagelijks leven. Nieuws, nieuwe goederen, medische hulp, militaire ondersteuning en culturele invloeden zoals kunst en poëzie, kwamen allemaal via de zee. Daarnaast waren er veel beroepen, zoals visser, handelaar en ook de kerns die vee bij de buren stalen, afhankelijk van de galei.

De Ierse Zee met zijn vele eilanden kan in de middeleeuwen het best worden afgeschilderd als een moderne snelweg. In de tijd van sint Columba verkozen monniken om hier te leven en hun gemeenschappen op te richten. Deze monniken hadden veel contact met andere gemeenschappen in de regio, dit contact werd per onderhouden per schip. Wanneer we tegenwoordig kijken naar de Schotse westkust, valt het op dat op het land er veel omwegen langs de zeelochs moeten worden genomen. Wanneer men per schip reist zal de reis vaak korter duren als per auto.  

Het is duidelijk dat het schip in deze regio het beste en snelste transportmiddel was en dat de eilanden in deze regio deels van schepen afhankelijk waren. Wanneer we hier vanuit gaan, zijn de aantallen schepen die in middeleeuwse teksten worden genoemd niet verwonderlijk. Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de galei van de Ierse zee, de twee grootste onderzoeken zijn het wetenschappelijk onderzoek van Clark MacAulay en Rixson en het onderzoek van Wallace Clark, maker van de Aileach.

Omdat de boot het belangrijkste communicatiemiddel en onderdeel van het leven van de eilanden was, kan ervan worden uitgegaan dat men in de geschiedenis veel tijd en aandacht besteed heeft aan het ontwerp en de verbetering van deze schepen. Belangrijk hierbij is om te beseffen dat rond de 12de eeuw, de vermoedelijke tijd van de eerste Keltische galeien, de kennis nog niet zo ver ontwikkeld was, maar de inventiefheid zeker niet minder was dan tegenwoordig.

De bewoners van de eilanden onderhield nauwe contacten met de Spaanse en Franse handelsvloot, ondanks dat zij oorspronkelijk kustvaarders waren. Hierdoor waren ze zeker bekend met de schepen die in de rest van Europa gebruikt werd. Toch hebben ze alleen de scheepsbouwmethode van de Vikingen doorgezet en ontwikkeld.

Bronnen
Er zijn geen galeien teruggevonden en hoe ze eruit hebben gezien, kan alleen worden afgeleid van de beschrijvingen en de afbeeldingen in heraldiek, zegels en op grafstenen. De eerste afbeelding van een Keltische galei komt van het zegel van Angus Mór MacDonald, lord van Islay. Vermoedelijk komt dit zegel uit de late 13de eeuw. Vrijwel identieke afbeeldingen van deze schepen komen met name tussen de 14de en 16de eeuw voor. Opvallend is dat de schepen door de eeuwen heen weinig van vorm veranderden.

De galei had geen dak, iedereen op het schip was blootgesteld aan de elementen. Het schip was overlappend gebouwd, elke plank overlapte een ander en voor extra isolatie werden mogelijk haren van dieren of leer gebruikt. De belangrijkste manier van verplaatsen was door middel van roeien, ook was er een groot vierkant zijl aanwezig. Het schip had een hoogaflopende boeg en kiel.

Het is duidelijk dat deze schepen direct zijn afgeleid van de 9de eeuwse Vikingschepen en dat ze tot in de 16de eeuw een bewijs vormden van Scandinavische invloed op Schotland. Een rapport van de kroonraad uit 1615 vermeldt dat deze schepen een typisch fenomeen zijn voor de westkust van Schotland, maar dit was niet altijd zo. Ze werden in mindere mate door de Ieren gebruikt en er zijn aanwijzingen dat ze rond de 12de eeuw ook dienst deden in de Firth of Clyde. Een zegel uit Renfrew uit de 15de eeuw toont een galei voor het kasteel. Het schip vertoont op dit zegel geen riemen, mogelijk was het ook niet bedoeld om geroeid te worden.

In de bronnen over de expeditie naar Schotland van Haakon van Noorwegen in 1262 wordt indirect veel verteld over het leven op schepen. Haakon werd hierin gesteund door verschillende koningen van de eilanden, MacRuiri, MacDonald, MacDougall en het koninkrijk van Man. De beslissingen moeten vanwege het gemak aan boord van één schip zijn gemaakt, maar waarschijnlijk waren niet altijd alle leiders daar aanwezig. Hieruit kan worden afgeleid dat de schepen zonder veel moeite langs elkaars zij konden worden gelegd.

Op zaterdag 29 september, tijdens vloed en bij een zuidelijke wind, voer de vloot het kanaal bij de Cumbrae eilanden binnen. Hier gingen de soldaten aan land om de nacht door te brengen. Hier werd ook het eten opgediend, waarna ze zich terug trokken in hun met bont gevoerde slaapzakken. In dezelfde nacht wakkerde de wind aan, de schepen die niet op het strand waren aangemeerd werden wild heen en weer geslingerd en door ruimtegebrek raakten de schepen elkaar. De bemanning van sommige schepen hakte hun eigen masten af om niet tegen het land aan geslingerd te worden. 

Constructie
De galeien werden vermoedelijk vooral in het zuiden van Schotland gebouwd. Het eiland Man en het noorden van de Hebriden hebben te weinig bomen om een groot aantal schepen te bouwen. De regio van Kintyre, Islay en Mull hadden de grondstoffen die nodig waren om deze schepen te kunnen bouwen. Vermoedelijk was de middelste plank, die ook het zwaard vormde, gemaakt van eikenhout. De rest, inclusief de mast konden zowel van eiken- als dennenhout worden gemaakt. Dat betekent dat een schip, indien het hout behandeld was en onderhouden werd, ongeveer dertig jaar gebruikt kon worden. Elke generatie moesten de schepen dus vernieuwd worden. Het bouwen van een galei was een taak voor professionele vakmensen. Het is onduidelijk of elk eiland zich in zijn eigen schepen voorzag, dat ze gekocht werden in het zuiden van het lordschap of dat ze werden geleverd door de chiefs en de lord van de eilanden.  Het is wel duidelijk dat de chief een beroep kon doen op deze schepen in tijd van oorlog. Droogdokken en havens waren niet nodig. De schepen konden gemakkelijk op het strand landen en worden onderhouden.

Het is vrijwel zeker dat de galei door de eeuwen heen een vorm van ontwikkeling moet hebben doorgemaakt. Dit is alleen niet duidelijk zichtbaar in de latere afbeeldingen van de schepen op grafstenen. Al beweren sommige bronnen dat het gehele ontwerp van de galei steeds meer werd gebouwd naar mediterrane maatstaven, er is vrijwel geen bewijs dat de ontwikkelingen ook daadwerkelijk in het schip zelf zichtbaar waren.

De best bewaarde afbeelding van een galei komt van vlak na het eind van het lordschap van de eilanden. Dit was de periode dat Grace O’Malley als vrouwelijke piraat met haar vloot de Ierse zee plunderde en haar best deed zoveel mogelijk Schotse huursoldaten in Ierland te krijgen voor de oorlog tegen de Engelsen. Dit galei staat op een grafsteen gegraveerd en heeft 17 roeispanen per kant.

Mobiliteit
Het galei kon zeilen, maar zijn grootste kracht was het roeien. Vermoedelijk werd er meestal gebruik gemaakt van zeilen wanneer de wind goed stond en er geen haast was. In geval van nood kom het schip wegroeien voor veel grotere 16de eeuwse schepen. De Engelse marinebevelhebber kapitein George Thornton vermeldt dat deze schepen ontzettend snel waren. Ze konden vlak langs rotsformaties varen en waren gemakkelijk in staat om sterke stromingen tegen te gaan door hun extra roeivermogen. De schepen konden tot aan het strand worden gevaren en indien nodig opgetild worden en over land worden getransporteerd.

Een bron uit 1263 vermeldt dat de schepen vanuit Loch Long over land naar Loch Lomond werden vervoerd. Dit betekent een reis van ongeveer 3 kilometer over land. Dit gebeurde vaak in plaatsen die vandaag de dag Tairbeart of Tarbert heetten. Het woord is mogelijk afgeleid van het Gaelic do-beir, wat geven of brengen betekend. In Schotland en Ierland zijn een groot aantal plaatsen met deze naam die tussen twee lochs of tussen de zee en een loch in liggen. In 1611 werd het bevel gegeven om alle boten en birlinns die in Loch Lonond lagen naar Loch Katrine te transporteren, om daar hulp te bieden bij het aanvallen van een fortificatie van clan MacGregor. Dit betekent dat ze twee keer over land getrokken zijn en via Loch Arklet gevaren zijn. Het niveau van navigatie moet rond deze tijd uitzonderlijk goed zijn geweest. Schipper en bemanning moesten eilanden aan de vorm en locatie kunnen herkennen, er wordt geen melding gemaakt van eventuele zeekaarten.

Capaciteit
Misschien het belangrijkste van de galeien is dat ze een relatief groot aantal mensen en materiaal konden transporteren. In 1615 rapporteert de kroonraad een lijst met birlinns en galeien van de Schotse westkust. Daarin wordt vermeld dat een galei ongeveer 18 tot 24 riemen had en drie man per riem. Ook word er melding gemaakt van schepen met acht riemen. Dat betekent dat de bemanning uit 24 tot 72 personen bestond.
Een paar bronnen van andere expedities vermelden ook hun aantal riemen en mensen. De eerste is een plundertocht van Donald Ballach MacDonald van Dunyvaig rond 1452. Hij had een leger van ongeveer 5000 tot 6000 man, die hij transporteerde met ongeveer 100 schepen. Dat komt neer op ongeveer 55 man per schip. Een andere bron vermeldt dat Domhnall Dubh, afstammeling van de lords of the isles, het lordschap op wilde claimen van de Schotse koning. In 1545 vertrok hij naar Ierland met een vloot van 180 schepen en 4000 mannen. Dat betekent ongeveer 22 man per schip.

In 1569 telde een handelaar uit Bristol 32 galeien die op weg waren naar Ierland. Tot slot is er een vermelding van de invasie bij Erris in 1589, waarbij 600 man van de MacNeils van Barra met zeven galeien aan land kwamen. Dat betekent ongeveer 86 man per schip.

Naast mannen kon een schip uiteraard ook buit meenemen, een gedicht ter ere van Angus Mór MacDonald van Islay uit de 13de eeuw vermeldt hoe zijn mannen Ierland plunderden en vee meenamen. Het is onbekend of het hierbij ging om levend of dood vee, maar waarschijnlijk was dit de populairste buit. Het is aannemelijk dat er ook veehandel tussen Ierland en Schotland was.

Opvallend is de enorme zeemacht van het Koninkrijk van Man, geregeerd door Vikingkoningen. Een voorbeeld waaruit de grootte van de vloot blijkt,  is de steun die koning Rögnvaldr in 1205 gaf aan zijn zwager in de vorm van een honderdtal schepen, die niet eens Rögnvaldrs gehele vloot vormden. Ter vergelijking, de Spaanse armada bestond uit 200 schepen. In 1223 kwam de zwager van Rögnvaldr met 32 schepen naar het eiland Man.

De vloot van Man was al ver voor de 13de eeuw actief rond de Ierse Zee. Rögnvaldrs voorganger,  Guđrřđr, in het Engels bekend als Godred Crovan, steunde zijn bondgenoot Gruffud ap Cynan in 1090 met 60 schepen tegen de Engelse koning Richard de 2de die Wales binnenviel. Vermoedelijk had Guđrřđr in totaal een zeemacht van ongeveer 90 schepen tot zijn beschikking.

Konign Guđrřđr de 2de viel met 30 schepen het door de Engelsen bezette Dublin aan in de gezamenlijke Noors-Hibernische acties. In 1150 raakte hij echter in oorlog tegen een ander machtig heerser, Somerled. Somerled, de stamvader van de Schotse clans MacDonald, MacRuari en MacDougall, maakte in deze oorlog gebruik van 120 schepen waarmee hij Guđrřđr versloeg. Hij werd gedeelde koning van Man, maar krereg ook veel van de Hebriden, zoals Skye en Harris en Lewis, in bezit. Somerled gebruikte zelfs 160 galeien bij zijn invasie van het Schotse vasteland. Deze liep slecht af en hij kwam om.

De schepen moeten beladen zijn geweest met wapenrusting en voedsel. Ook is het logisch dat er altijd gereedschap aan boord aanwezig was en mogelijk zelfs reservehout. Daarnaast was er op de terugtocht altijd buit aanwezig, het was niet de bedoeling dat een vloot zonder iets terugkwam. Hieruit kan worden geconcludeerd dat galeien altijd nokvol waren.

Typen schepen
Er waren verschillende typen galeien op de Ierse zee in gebruik.

De birlinn was het kleinste type schip en was ongeschikt voor de oorlog. Hij had 6 tot 9 riemen per kant en één mast in het midden van het schip. Schepen als deze konden voor handel worden gebruikt, maar waren voornamelijk handig voor berichtgeving en het transporteren van passagiers. Ook werden dit type schepen vermoedelijk gebruikt voor de visserij. De kans is groot dat de birlinn het meest voorkomende schip op de Ierse zee was. De replica de Aileach is gemaakt naar een middeleeuwse birlinn. het is onbekend hoeveel roeiers een birlinn per riem had. Het schip moet minimaal 18 man hebben kunnen transporteren.

De nyvaig is verbonden met het zeefort dat Somerled, of zijn zoon Ranald, in het zuiden van Islay bouwde. Dunnyvaig sluit Lagavulin bay af voor vijandelijke schepen. In het midden van de baai liggen rotsen, waardoor het een ideale plaats was om een oorlogsvloot te herbergen. Als dit waar is, dan is de nyvaig mogelijk voornamelijk een oorlogsschip. Het schip had 8 tot 14 riemen per kant en vermoedelijk twee tot drie roeiers per riem. Dat betekent dat het schip 24 tot 42 roeiers had.

De “Highland galey” had vermoedelijk ongeveer 24 riemen. Deze galeien waren bij uitstek geschikt voor de oorlog en konden ongeveer 72 man vervoeren. Wanneer men over galeien van de westkust praat, wordt er meestal dit type schip bedoeld.

Heraldiek
Het galei was een machtssymbool, machtigere chiefs hadden veel galeien die sterk in afmetingen konden verschillen. Het formaat werd uitgedrukt in het aantal riemen dat een schip had. Toen na de slag bij Largs de Schotse koning Alexander de 3de de aanval opende op het koninkrijk van Man, haastte de koning van Man zich naar Galloway om zich aan Alexander over te geven. Vanaf deze dag moest het koninkrijk van Man de koning van Schotland tien oorlogsgaleien ter beschikking stellen, vijf met 24 riemen en vijf met twaalf riemen.

Het is hierom niet verwonderlijk dat schepen steeds weer terugkeren in de Britse heraldiek. Wel opmerkelijk is dat schepen in Engelse wapenschilden pas in de 16de eeuw voorkomen. Dit staat in schril contrast met de heraldiek van hun Keltische buren.

In Schotland komen schepen veelvuldig voor in heraldiek van zowel clans als earldommen. Dit wijst op nauwe betrokkenheid bij de scheepvaart, waardoor het schip belangrijk genoeg werd om het vaak al in de vroege middeleeuwen op een wapenschild te dragen.

De meeste schepen in de Schotse heraldiek komen voor in de westkust en dan met name de galei. De kogge en de hulk komen terug in de rest van Schotland.

In Ierland komt zowel het langschip als de galei voor. Vaak had een clan in Schotland een verwante clan in Ierland en vice versa. Deze verwante clans droegen vrijwel hetzelfde wapenschild. Toch komen schepen minder voor in Ierse heraldiek dan in Schotse. Dit kan wijzen op minder intensieve scheepvaart, al is het aannemelijk dat de gebieden aan de Ierse oostkust nauw betrokken waren bij de scheepvaart in en rond de Ierse Zee. Uit middeleeuwse geschriften blijkt echter dat Ierland na de Engelse invasie nooit meer een grote vloot heeft gehad.

Hoewel Wales niet bekend staat om zijn vloot, komt het schip regelmatig terug in heraldiek van steden, met name in Gwynedd. Dit zijn dezelfde schepen die in Ierse en Schotse heraldiek voorkomen.

Uit de grootte van sommige vloten blijkt dat de gebieden rond de Ierse zee welvarende en machtige gebieden moeten zijn geweest.  Vloten uit dat gebied werden vaak slechts geëvenaard door de vloot van de Noorse koningen.  De gebieden rond de Ierse Zee hadden nauw contact met Scandinavië, maar ook met Frankrijk. De kans is groot dat hieruit een handelscentrum bloeide, waardoor de volkeren rond de Ierse zee hun welvaart wisten te handhaven.

Vikingschepen
Het was het Vikingschip dat de Vikingen de mogelijkheid bood om over geheel Europa te reizen. Met deze schepen kwamen ze zo ver als Byzantium in het zuiden en Amerika in het westen.  Het wist Scandinavië een wereldmacht te maken. De Vikingschepen waren vermoedelijk meestal in het bezit van boeren uit de kustgebieden en werden in tijd van oorlog door de koning opgeroepen. De Vikingschepen waren in de eerste instantie een transportmiddel, geen oorlogstuig. In de tiende eeuw werden deze schepen soms langszij gelegd bij vijandelijke schepen en dienden ze als een soort platforms voor krijgers om op te vechten. Indien mogelijk werd er ongetwijfeld vanaf deze schepen geschoten.

Typen Vikingschepen
Er zijn verschillende typen Vikingschepen: de karvi, de snekkje, de skei, de drakkar en de busse. In dit onderzoek naar de galei van de westkust zijn voornamelijk de eerste drie types van belang.

De karvi was het kleinste langschip volgens de 10de eeuwse Gulatingse wetten. Het schip had ongeveer 13 riemen en was het kleinste schip voor oorlog. Schepen zoals deze werden voor algemene taken zoals vissen, handel en communicatie gebruikt. Ze waren ongeveer 23 meter lang.

De snekkje was een smal langschip dat voor oorlog werd gebruikt. Het schip had in ieder geval 20 riemen, was 17 meter lang en 2,5 meter breed. Hij kon een bemanning van 40 personen en een os transporteren. De snekkje was het meest voorkomende type langschip en in 1066 gebruikte Willem de Veroveraar ongeveer 600 van dit soort schepen voor zijn invasie van Engeland. De Noorse snekkje is ontworpen voor in de diepe fjorden en de Atlantische wateren en lijkt het meest op de beschrijvingen die we kennen van de galeien van de Ierse zee.

De skei was een groot oorlogsschip dat ongeveer 30 riemen had. Het is het grootste Vikingschip dat is teruggevonden. Een groep Deense archeologen hebben tijdens een onderzoek in 1962 een skei gevonden die rond 1042 in Dublin is gebouwd. Schepen zoals deze konden een bemanning van ongeveer 70 tot 80 man transporteren.

Het is bekend dat zowel de snekkje als de skei op de Ierse zee actief is geweest. Het ontwerp van de galei stamt hoogstwaarschijnlijk af van deze twee typen, al zijn er aan de westkust ook kleinere exemplaren als de birlinn, die meer weg hebben van de karvi.

Het grote verschil tussen deze schepen en het galei was dat het roer van het galei geheel aan de achterkant van het schip was bevestigd, hierdoor was hij veel wendbaarder dan een Vikingschip, die het roer aan de zijkant hadden. Daarnaast wordt melding gemaakt dat het galei de mogelijkheid had om vanaf te top van de mast vijandelijke schepen te beschieten. Dit was bij de Vikingschepen waarschijnlijk niet het geval. Deze doorontwikkelingen op het Vikingschip zijn mogelijk door Somerled ontwikkeld.

Er werd in 1156 een zeeslag uitgevochten tussen Godred en Somerled. Somerled had een nieuw type schip ontwikkeld, de Hooglandgalei, dat zijn roer precies achter de kiel had zitten en een kraaiennest bovenaan de mast had waar vanuit schutters konden schieten. De slag was lang en bloederig en aan het eind van de avond was Godred genoodzaakt een onderhandeling aan te gaan, indicerend dat Somerled wellicht met zijn tachtig oorlogsschepen de oude Viking longboats had verslagen. Ze verdeelden het koninkrijk Man onder hun op.

Reconstructies van Vikingschepen
Er zijn verschillende Vikingschepen gereconstrueerd. Deze reconstructies bieden de mogelijkheid inzicht te krijgen in de technische voorsprong van een langschip. Één replicaschip voer op een dag 413 km, een ander voer 15 km per uur. Deze snelheid moet het galei ook hebben gehad in combinatie met een betere wendbaarheid. Hierdoor was het een schip dat goedkoop en relatief makkelijk te bouwen en kon het binnen een halve dag tussen Islay en Ulster varen.

Ook bieden Vikingschepen een ander punt van aandacht. De Vikingroeiers zaten op kisten in plaats van banken. In deze kisten werd materiaal opgeslagen, waardoor de rest van het dek optimaal benut kon worden. De kans is groot dat ook het galei dit soort kisten had.

Het zeil van de langboot was vierkant, hierdoor was de druk op de mast minimaal, waardoor breuken tot een minimum kon worden beperkt.

De enige reconstructie van de birlinn is de Aileach die in Ierland is gebouwd. Dit schip is een schaalmodel en in onze ogen iets te klein om goede onderzoeksresultaten te kunnen leveren voor de galeien die veel werden gebruikt. Wel biedt hij de mogelijkheid reizen op de Ierse Zee her te beleven en inzicht te verschaffen over het leven aan boord van een birlinn.

Leven aan boord
De manier van leven aan boord komt bij het galei en het Vikingschip waarschijnlijk redelijk overeen. Er was geen dekking aan boord en de mensen stonden bloot aan de elementen. 's Nachts werden de schepen aan land gelegd en kon de bemanning van het zeil een groot tentdoek maken dat het schip overspande. Mogelijk hadden ze ook kleine tenten voor wanneer ze aan land waren, of sliepen ze in hun brat (in het geval van de galei). Tenten rond deze tijd waren vermoedelijk van wol gemaakt.

Wanneer het schip langere afstanden, bijvoorbeeld naar Frankrijk of Spanje voer, was hij enkele dagen buiten de kust. In dat geval moest de bemanning aan boord slapen en was hun enige bescherming de brat en de slaapzakken die van dierenhuiden waren gemaakt. In deze dagen kon er geen voedsel worden gekookt. Men was dan aangesteld op gezouten vlees en vis en mogelijk gedroogd voedsel. Voedsel kon alleen aan land worden gekookt, geen enkele schipper zou het risico van een open vuur op een langschip of een galei hebben geaccepteerd. Voor drinken werden alcoholische dranken, water en zure melk gebruikt.

Het is duidelijk dat zowel de Vikingen als de bevolking van de Ierse zee het verkozen om in de buurt van land te blijven. Beide volkeren maakten vrijwel geen lange reizen in de winter.

Type onderzoek: Secundair literair bronnenonderzoek
Auteur: P Gilbers, in opdracht van Stichting Celtic Britain
Jaar van publicatie: 2009


Zie ook:
Galloglass
Bardische gedichten
Vikingen in Schotland

Bronnen:

- Grafstenen Canmore project, RCAHMS

- J. Bill '' Maritime Warfare in Northern Europe'' Kopenhagen, 2002

- W. Clark, '' The Lord of the Isles Voyage'', Kildare 1993

- D. M. Wilson, ''The Bayeyx Tapestry'', London 1985

- S. McGrail, ''Medieval Boat and ship Timbers From Dublin'', Dublin, 1993

- K. Simms, The world of the Galloglass, Dublin 2007

 

 

 

Gesponsord door Celtic Webmerchant:

          
Keltisch kookstel € 109,90                       Keltisch sieraad € 12,50            Keltische helm € 295,-
 

copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact