|
|
|
||
|
|
De Normandische verovering van Ierland
Oorzaken van de invasie In 1152 werd Devorguilla, vrouw van Tighernán Ua Ruairc, koning van Breffni en Oost-Meath, al dan niet vrijwillig ontvoerd door Diarmait MacMurchada, koning van Leinster. Zij was ouder dan 40 jaar, Diarmait ouder dan 60. Diarmait was een bondgenoot van Muirchertach MacLochlainn, de hoge koning van Ierland. Deels hierdoor sloot Tighernán een alliantie met Ruadrí Ua Conchobair, met wiens hulp hij in 1153 zijn vrouw terugkreeg. Omdat Muirchertach nog steeds hoge koning was, moest Tighernán echter de tijd voor wraak uitstellen. Deze tijd kwam in 1165. Muirchertach stierf en werd opgevolgd door Ruadrí als hoge koning. Hierdoor moest Diarmait naar Aquitanië vluchten. In hetzelfde jaar van Devorguilla’s ontvoering had het bisdom van Dublin te kennen gegeven een aartsbisdom te willen worden, als het Ierse Canterbury. Het bisdom was naar de mening van kerk echter al genoeg afgedreven van de ‘ware’ leer en het besluit stuitte op verzet bij zowel het aartsbisdom Canterbury als het Vaticaan in Rome. Dit was de reden dat paus Adrianus IV, zelf een Engelsman, in 1154 een pauselijke bul uitvaardigde, de Laudabiliter, waarin hij de Engelse koning Henry de 2de toestond Ierland te veroveren om op deze manier de kerk te hervormen. Daarnaast vond er regelmatige slavenhandel tussen West-Engeland en Oost-Ierland plaats. De Engelsen verkochten hierbij hun landgenoten aan de Denen van Ierland, een praktijk die zelfs na de verovering van Ierland enige tijd doorging. Een vierde oorzaak voor de invasie van Ierland, één die niet vaak wordt aangedragen maar mogelijk een van de belangrijkste is, was de Normandische honger naar land. De invasies van Ierland
Diarmait reisde naar Bristol, waar hij Richard FitzGilbert de Clare ontmoette. De Clare staat beter bekend als Strongbow, vanwege de goede bogen die in Wales waren gemaakt. Strongbow had Henry’s claim op de troon niet gesteund en was daarom geweigerd als earl van Pembroke. Diarmait beloofde Strongbow land in Leinster en de hand van zijn dochter, als hij hem zou helpen. Strongbow had weinig meer te zoeken in Engeland, behalve nog vele schuldeisers, net als een handvol andere baronnen, en daarom stemde hij toe. Als hij Diarmaits dochter zou trouwen, betekende dat immers dat hij koning zou worden. Hierna ging Diarmait naar Deheubarth en bezocht hij Rhys ap Gruffydd, de heer van dat land. Hij vroeg hem om Robert FitzStephen, een Normandische heer, vrij te laten, om hem te assisteren. Dit gebeurde en Rhys beloofde hem daarnaast steun in zijn oorlog, omdat hij nog enkele landloze familieleden en vazallen had, die in Ierland hun geluk konden beproeven. In 1167 keerde Diarmait terug naar Ierland met een klein invasieleger van Welshmen en Vlamingen, die werden geleid door ene Richard FitzGodebert. Met hulp van de Ieren zelf probeerden ze voor Diarmait het koningschap van Leinster terug te eisen. Diarmait werd in Ierland toegelaten, maar gevraagd te verblijven in het klooster van Saint Madog, terwijl zijn troepen werd gevraagd terug te keren. Ze bleven en werden door Ruadrí, de hoge koning, en Tighernán Ua Ruairc, Diarmaits rivaal, verslagen bij Carlow.
Diarmait en FitzStephen richtten zich daarna op het koninkrijk Ossory, waarvan de koning Diarmaits oudste zoon Eanna blind had gemaakt en gevangen hield. In een gevecht dat drie dagen duurde, werden de Ossorians verslagen en uiteen gedreven. Hierna trokken Diarmaits troepen naar noord Leinster en vochten met de O’Byrnes, O’Tooles en de O’Connors van Offaly. Zo kwam hij weer in bezit van zijn oude koninkrijk, maar zijn reputatie was sterk afgenomen bij zowel de adel als het gewone volk, doordat hij buitenlanders had uitgenodigd.
Tegen het einde van 1169 landde Maurice FitzGerald toch in Ierland met twee schepen. Hierdoor aangemoedigd om uiteindelijk het hoge koningschap zelf te claimen, vroeg Diarmait Henry de Clare, “Strongbow”, meer troepen te sturen. Als Diarmait hoge koning was, zou hij hem tot koning van Leinster benoemen, beloofde hij. Strongbow stuurde een nieuw invasieleger onder leiding van Raymond le Gros en plande intussen ook zelf een landing. Rond 1 mei 1170 arriveerde Raymond bij Baginbun, vlakbij Waterford, met een leger van ongeveer 100 man om de landing van Strongbow veilig te stellen. Raymond bouwde een verdedigingslijn en zou een Noors-Iers leger hebben verslagen. Strongbow arriveerde op 23 augustus 1170 met ongeveer 1.000 man bij de Passage, vlakbij Waterford. Met de mannen van Raymond le Gros viel hij Waterford aan. Na twee aanvallen vond het Welsh-Normandische leger een zwakke plek en konden ze de stad binnengaan en innemen. Troepen van Diarmait, Robert FitzStephen en Maurice FitzGerald arriveerden op 25 augustus, toen de stad al was gevallen. Hier trouwden Diarmaits dochter Aoife en Strongbow met elkaar, zodat Strongbow zijn erfgenaam werd. Het volgende doelwit van de Normandisch-Ierse legers was de strategische stad Dublin. Ook de troepen van de hoge koning Ruadrí marcheerden naar die stad om hun vijand tegen te houden. De Normandisch-Ierse mannen vielen de stad aan en toen er al vredesonderhandelingen waren, deden Raymond le Gros en Milo de Cogan een grote charge, waardoor de Noren van Dublin met hun koning Haskulf vluchtten. Toen de hoge koning hoorde dat de Noren onderhandelingen waren gestart, trok hij terug. Diarmait trok Meath binnen, om dit te veroveren. In mei 1171 stierf Diarmait MacMurchada en liet Leinster over aan Strongbow. Tot nog toe had het erop geleken, dat de Normandiërs Diarmait hielpen in zijn persoonlijke vete, maar nu was de situatie anders. De Ierse leiders pleegden druk oeverleg, want hoe kon een buitenlander zomaar koning worden van een Iers koninkrijk? Als antwoord op Strongbows troonbestijging kwamen de Leinstermen in opstand en riep hoge koning Ruadrí de koningen van de stammen, of de ríthe tuatha, op om Strongbow te verdrijven.
De Noren vielen Dublin echter al aan voordat Ruadrí was aangekomen en hoewel ze eerst succes hadden, kregen ze te maken met een tegenaanval, werden ze door de cavalerie en boogschutterij van Milo en Richard de Cogan uitgeflankt en verdreven. De legers van Ruadrí, 60.000 man sterk, belegerden hierna Dublin in juli en augustus. Toen de Normandiërs tekort kregen aan voorraden, deden ze een verrassingsaanval en konden ze dankzij hun betere wapenrusting de Ieren verslaan. Ze namen het kamp bij Castleknock in en maakten veel buit en provisies. Ruadrí trok terug naar Connacht en was alleen nog maar hoge koning door zijn titel. Strongbow nam Wexford en Waterford weer in en versloeg de Ossorians en de O’Briens van Limerick. De andere leiders van Leinster gaven zich snel over. Tegen deze tijd had Henry de 2de door dat de Welsh-Normandische legers succes hadden in Ierland en werd bang voor een rivaliserende Normandische staat in Ierland. Hij stuurde onmiddellijk een nogal nutteloos verbod voor Strongbow om naar Ierland te gaan, stopte de bevoorrading en verzamelde een leger van 500 ridders en 4.000 soldaten. In oktober 1171 landde Henry om de controle op de situatie weer over te nemen en zich voor te doen als beschermer tegen de plunderende Normandische baronnen.
De hoge koning Ruadrí nodigde Henry uit voor een gesprek bij de Shannon. Deze accepteerde dit niet persoonlijk, maar zond een afgezant, waarmee Ruadrí een pact van vrede en vriendschap sloot. Die winter hield Henry een geïmproviseerd hof in Dublin. Zijn gastvrijheid was voor de Ierse heersers een scherp contrast tegenover de ervaren Normandische woestheid. Henry verbood verdere veroveringen van land en profileerde zich zo inderdaad als ware beschermer van het Ierse volk. Toen Henry rond Pasen in het volgende jaar vertrok, begonnen de problemen opnieuw. Het stichten van een kolonie
De Normandiërs begonnen weer met hun afgebroken campagnes en de Ieren kwamen in opstand, nu bekend met de Normandische wapens en tactieken. Strongbow zelf werd belegerd in Waterford en liep het gevaar gevangen te worden genomen. Hulp van Wales voorkwam dit. Al met al duurde het tot 1175 om Ierland rustig genoeg te krijgen om een verdrag te sluiten. Met het verdrag van Windsor bleef Ruaidrí Ua Conchobair hoge koning van Ierland buiten Leinster, Meath en de regio rond Waterford. In ruil hiervoor moesten de Ierse leiders Henry een schatting betalen. De volgelingen van Ruadrí zagen het verdrag eerst als een voordeel, maar al snel bleek dat de beloofde immuniteit alleen voor Connacht zou gelden en dan alleen als de schatting werd betaald. Rond die tijd begonnen De Lacy en Strongbow fortificaties te bouwen om zo controle over het veroverde land uit te oefenen. Hiervan zijn nog vele bewaard gebleven en te zien, in meer of mindere mate geruïneerd. In 1176, na herhaaldelijke opstanden tegen zowel Ruadrí als de Normandiërs, brandde de O’Brien koning van Noord-Munster Limerick plat om te voorkomen dat daar een garnizoen gelegerd zou worden. In juni van datzelfde jaar stierf Strongbow en viel Leinster tijdelijk onder bescherming van Henry de 2de, totdat hij in 1177 al zijn rechten als Heer van Ierland overgaf aan zijn jongste zoon, prins Jan Zonderland. Deze had niet veel respect voor de Ierse koningen en liet zijn hovelingen regelmatig aan de baard van een bezoekende Ierse koning trekken.
In het zuiden werd in 1185 het koninkrijk van de O’Briens in Oost-Munster gegeven aan Theobald Walter, Philip of Worcester en William de Burgh. Het kostte hen 8 jaar dit min of meer te veroveren. In 1201 kreeg Philip de Braose Limerick, maar wist dit nooit te veroveren. In 1224 claimde de Normandiër Richard de Burgh het onafhankelijke Ierse koninkrijk Connacht en begon een oorlog die tot 1235 zou duren. Hij had de Ieren echter onderschat, want zij waren meegegroeid met de militaire technologieën van zijn buur. Ondanks dat werd Connacht toch veroverd. Rond dezelfde tijd namen de FitzGeralds en de Geraldines bezit van noord-Kerry en Waterford. In de jaren ’40 namen ze meer land in in de net veroverde landen van Connacht, Kerry en Fermanagh. Ze bouwden een kasteel bij Belleek, in Fermanagh, maar wisten het land niet geheel in bedwang te houden en de Ieren branden vrijwel onmiddellijk het nieuwe kasteel plat. Hierna kwam Fermanagh terug onder Ierse regering. Rond het midden van de 13de eeuw was Hugh de Lacy, 1ste earl van Ulster, overleden en de Ierse koningen van Tyrone en Donegal stopten hun schatting. Toen dit weinig reactie kreeg vanuit Engeland, sloten ze een alliantie met de koning van Connacht.In 1255 vielen de bondgenoten Ulster binnen, doodden kolonisten en brandden dorpen en steden plat. Rond 1259 was de opstand overgenomen door de Ieren van Munster. Twee jaar later versloegen ze zelfs een leger van Engelsen en boden ze Haakon de 4de van Noorwegen aan hoge koning te worden, als hij zou helpen de Engelsen uit Ierland te verdrijven. Dat jaar stokte de opstand echter, toen sommige van de leiders omkwamen. Het zou nog een eeuw duren voordat de Ieren een nieuwe succesvolle opstand zouden ondernemen. Na de opstanden werd het earldom van Ulster gegeven aan Walter de Burgh, zoon van Richard de Burgh en lord van Connacht. De Geraldines stemden in 1296 toe Sligo aan De Burgh af te staan. Hierdoor was De Burgh heerser van geheel Connacht en geheel Ulster en werd hij na de koning de machtigste man van Engeland, Wales en Ierland. Thomond, in Noord-Munster, werd aan Thomas de Clare gegeven, die zijn naam aan het graafschap Clare zou geven. In het zuiden kwamen de Geraldines van Desmond en de Butlers van Ormond (tegenwoordig Tipperary) op. Leinster werd opverdeeld in de vier lordschappen Wexford, Kilkenny, Carlow en Kildare, doordat families volgens het feodale stelsel de erfenis deelden onder hun erfgenamen. Meath werd gesplitst in Trim en Meath.
Zie ook:
De Ierse kwestie Celtic Webmerchant: 66,60 Enkelhandig Vikingzwaard € 70,15 Keltisch zwaard € 70,85 |
||
|
copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||