De Normandische verovering van Ierland

Wanneer men hoort over de Normandische verovering, denkt men meestal meteen aan de verovering van Engeland door Willem de Veroveraar. Er waren er echter meerdere. De eerste was die van het gebied in Frankrijk dat Normandië ging heten naar de binnenvallende Noormannen. De tweede was de Normandische verovering van Sicilië en Italië, beginnend in 1016. De derde was die van Willem de Veroveraar van Engeland en de vierde was de Normandische invasie en gedeeltelijke verovering van Ierland.

Oorzaken van de invasie

In 1152 werd Devorguilla, vrouw van Tighernán Ua Ruairc, koning van Breffni en Oost-Meath, al dan niet vrijwillig ontvoerd door Diarmait MacMurchada, koning van Leinster. Zij was ouder dan 40 jaar, Diarmait ouder dan 60. Diarmait was een bondgenoot van Muirchertach MacLochlainn, de hoge koning van Ierland. Deels hierdoor sloot Tighernán een alliantie met  Ruadrí Ua Conchobair, met wiens hulp hij in 1153 zijn vrouw terugkreeg.

Omdat Muirchertach nog steeds hoge koning was, moest Tighernán echter de tijd voor wraak uitstellen. Deze tijd kwam in 1165. Muirchertach stierf en werd opgevolgd door Ruadrí als hoge koning. Hierdoor moest Diarmait naar Aquitanië vluchten.

In hetzelfde jaar van Devorguilla’s ontvoering had het bisdom van Dublin te kennen gegeven een aartsbisdom te willen worden, als het Ierse Canterbury. Het bisdom was naar de mening van kerk echter al genoeg afgedreven van de ‘ware’ leer en het besluit stuitte op verzet bij zowel het aartsbisdom Canterbury als het Vaticaan in Rome. Dit was de reden dat paus Adrianus IV, zelf een Engelsman, in 1154 een pauselijke bul uitvaardigde, de Laudabiliter, waarin hij de Engelse koning Henry de 2de toestond Ierland te veroveren om op deze manier de kerk te hervormen.

Daarnaast vond er regelmatige slavenhandel tussen West-Engeland en Oost-Ierland plaats. De Engelsen verkochten hierbij hun landgenoten aan de Denen van Ierland, een praktijk die zelfs na de verovering van Ierland enige tijd doorging.

Een vierde oorzaak voor de invasie van Ierland, één die niet vaak wordt aangedragen maar mogelijk een van de belangrijkste is, was de Normandische honger naar land.

De invasies van Ierland

De gevluchte Diarmait van Leinster zocht contact met de Normandische koning Henry de 2de. Henry was echter nog druk bezig om zijn koningschap stevig te grondvesten in Engeland en had daarom geen behoefte aan een dure oorlog. Omdat hij wel de Laudabiliter in zijn gedachten had, gaf hij Diarmait toestemming om zelf troepen in Engeland te rekruteren.

Diarmait reisde naar Bristol, waar hij Richard FitzGilbert de Clare ontmoette. De Clare staat beter bekend als Strongbow, vanwege de goede bogen die in Wales waren gemaakt. Strongbow had Henry’s claim op de troon niet gesteund en was daarom geweigerd als earl van Pembroke. Diarmait beloofde Strongbow land in Leinster en de hand van zijn dochter, als hij hem zou helpen. Strongbow had weinig meer te zoeken in Engeland, behalve nog vele schuldeisers, net als een handvol andere baronnen, en daarom stemde hij toe. Als hij Diarmaits dochter zou trouwen, betekende dat immers dat hij koning zou worden.

Hierna ging Diarmait naar Deheubarth en bezocht hij Rhys ap Gruffydd, de heer van dat land. Hij vroeg hem om Robert FitzStephen, een Normandische heer, vrij te laten, om hem te assisteren. Dit gebeurde en Rhys beloofde hem daarnaast steun in zijn oorlog, omdat hij nog enkele landloze familieleden en vazallen had, die in Ierland hun geluk konden beproeven.

In 1167 keerde Diarmait terug naar Ierland met een klein invasieleger van Welshmen en Vlamingen, die werden geleid door ene Richard FitzGodebert. Met hulp van de Ieren zelf probeerden ze voor Diarmait het koningschap van Leinster terug te eisen. Diarmait werd in Ierland toegelaten, maar gevraagd te verblijven in het klooster van Saint Madog, terwijl zijn troepen werd gevraagd terug te keren. Ze bleven en werden door Ruadrí, de hoge koning, en Tighernán Ua Ruairc, Diarmaits rivaal, verslagen bij Carlow.

Robert FitzStephen, die op aanvraag van Diarmait was vrijgelaten, kwam zijn belofte voor hulp na en landde op 1 mei 1169 met 400 man Normandische, Welshe en Vlaamse troepen op de zuidkust van het graafschap Wexford, bij Bannow. Een dag later werd het aantal versterkt met ongeveer 200 onder leiding van Maurice de Prendergast. Het leger kwam samen met de 500 Ierse manschappen van Diarmait en marcheerde naar de havenstad Wexford. In Wexford woonde een Noors-Ierse bevolking met hun garnizoen, dat terugschrok voor de meer dan 1.000 gedisciplineerde en goed uitgeruste mannen. De 2.000 soldaten die in de stad waren gelegerd, trokken zich terug in de stad. Na twee dagen met gevechten gaven de Noorse Ieren zich over en erkenden Diarmait opnieuw als hun heer. Diarmait schonk daarop landerijen in Wexford aan Robert FitzStephen, diens halfbroer Maurice FitzGerald en de oom van Strongbow, Hervey de Monte Marisco.

Diarmait en FitzStephen richtten zich daarna op het koninkrijk Ossory, waarvan de koning Diarmaits oudste zoon Eanna blind had gemaakt en gevangen hield. In een gevecht dat drie dagen duurde, werden de Ossorians verslagen en uiteen gedreven.

Hierna trokken Diarmaits troepen naar noord Leinster en vochten met de O’Byrnes, O’Tooles en de O’Connors van Offaly. Zo kwam hij weer in bezit van zijn oude koninkrijk, maar zijn reputatie was sterk afgenomen bij zowel de adel als het gewone volk, doordat hij buitenlanders had uitgenodigd.

Het leger van de Hoge Koning Ruadrí marcheerde zo snel mogelijk naar Leinster, maar op aandringen van de kerk onderhandelden beide partijen. Ze sloten in 1169 een verdrag, waarin werd besloten dat Diarmait koning van Leinster mocht blijven, als hij Ruadrí als hoge koning zou erkennen en hij geen buitenlandse troepen meer in zou huren. Diarmait stemde toe en gaf een van zijn zonen als gijzelaar.

Tegen het einde van 1169 landde Maurice FitzGerald toch in Ierland met twee schepen. Hierdoor aangemoedigd om uiteindelijk het hoge koningschap zelf te claimen, vroeg Diarmait Henry de Clare, “Strongbow”, meer troepen te sturen. Als Diarmait hoge koning was, zou hij hem tot koning van Leinster benoemen, beloofde hij. Strongbow stuurde een nieuw invasieleger onder leiding van Raymond le Gros en plande intussen ook zelf een landing. Rond 1 mei 1170 arriveerde Raymond bij Baginbun, vlakbij Waterford, met een leger van ongeveer 100 man om de landing van Strongbow veilig te stellen. Raymond bouwde een verdedigingslijn en zou een Noors-Iers leger hebben verslagen.

Strongbow arriveerde op 23 augustus 1170 met ongeveer 1.000 man bij de Passage, vlakbij Waterford. Met de mannen van Raymond le Gros viel hij Waterford aan. Na twee aanvallen vond het Welsh-Normandische leger een zwakke plek en konden ze de stad binnengaan en innemen. Troepen van Diarmait, Robert FitzStephen en Maurice FitzGerald arriveerden op 25 augustus, toen de stad al was gevallen. Hier trouwden Diarmaits dochter Aoife en Strongbow met elkaar, zodat Strongbow zijn erfgenaam werd.

Het volgende doelwit van de Normandisch-Ierse legers was de strategische stad Dublin. Ook de troepen van de hoge koning Ruadrí marcheerden naar die stad om hun vijand tegen te houden. De Normandisch-Ierse mannen vielen de stad aan en toen er al vredesonderhandelingen waren, deden Raymond le Gros en Milo de Cogan een grote charge, waardoor de Noren van Dublin met hun koning Haskulf vluchtten. Toen de hoge koning hoorde dat de Noren onderhandelingen waren gestart, trok hij terug. Diarmait trok Meath binnen, om dit te veroveren.

In mei 1171 stierf Diarmait MacMurchada en liet Leinster over aan Strongbow. Tot nog toe had het erop geleken, dat de Normandiërs Diarmait hielpen in zijn persoonlijke vete, maar nu was de situatie anders. De Ierse leiders pleegden druk oeverleg, want hoe kon een buitenlander zomaar koning worden van een Iers koninkrijk? Als antwoord op Strongbows troonbestijging kwamen de Leinstermen in opstand en riep hoge koning Ruadrí de koningen van de stammen, of de ríthe tuatha, op om Strongbow te verdrijven.

In de eerste instantie leek de campagne om de Normandiërs te verdrijven succesvol. Diarmait MacCarthy van Desmond heroverde Waterford, de Noren van Wexford namen Robert FitzStephen gevangen en een Noorse vloot, onder leiding van de gevluchte koning Haskulf, belegerde Dublin, terwijl Ruadrí’s leger Dublin over land benaderde.

De Noren vielen Dublin echter al aan voordat Ruadrí was aangekomen en hoewel ze eerst succes hadden, kregen ze te maken met een tegenaanval, werden ze door de cavalerie en boogschutterij van Milo en Richard de Cogan uitgeflankt en verdreven. De legers van Ruadrí, 60.000 man sterk, belegerden hierna Dublin in juli en augustus. Toen de Normandiërs tekort kregen aan voorraden, deden ze een verrassingsaanval en konden ze dankzij hun betere wapenrusting de Ieren verslaan. Ze namen het kamp bij Castleknock in en maakten veel buit en provisies. Ruadrí trok terug naar Connacht en was alleen nog maar hoge koning door zijn titel.

Strongbow nam Wexford en Waterford weer in en versloeg de Ossorians en de O’Briens van Limerick. De andere leiders van Leinster gaven zich snel over.

Tegen deze tijd had Henry de 2de door dat de Welsh-Normandische legers succes hadden in Ierland en werd bang voor een rivaliserende Normandische staat in Ierland. Hij stuurde onmiddellijk een nogal nutteloos verbod voor Strongbow om naar Ierland te gaan, stopte de bevoorrading en verzamelde een leger van 500 ridders en 4.000 soldaten. In oktober 1171 landde Henry om de controle op de situatie weer over te nemen en zich voor te doen als beschermer tegen de plunderende Normandische baronnen.

Strongbow gaf onmiddellijk al zijn Ierse veroveringen over aan Henry en zwoor trouw aan hem. Hierop liet Henry hem het koninkrijk Leinster houden en hield zelf Dublin, Waterford en Wexford. Alle Ierse koninkrijken, behalve die in het midden en westen van Ulster en mogelijk ook Connacht, huldigden het koningschap van Henry, die immers door de bul van de paus was gestuurd om Ierland in te nemen. De Ieren zagen het huldigen echter als respect voor een heerser, niet als iets dat hun soevereiniteit of onafhankelijkheid in gevaar bracht. De Normandiërs zagen dit natuurlijk anders en zouden alle strijd tegen hun heerschappij bestempelen als verraad.

De hoge koning Ruadrí nodigde Henry uit voor een gesprek bij de Shannon. Deze accepteerde dit niet persoonlijk, maar zond een afgezant, waarmee Ruadrí een pact van vrede en vriendschap sloot.

Die winter hield Henry een geïmproviseerd hof in Dublin. Zijn gastvrijheid was voor de Ierse heersers een scherp contrast tegenover de ervaren Normandische woestheid. Henry verbood verdere veroveringen van land en profileerde zich zo inderdaad als ware beschermer van het Ierse volk. Toen Henry rond Pasen in het volgende jaar vertrok, begonnen de problemen opnieuw.

Het stichten van een kolonie

Voordat Henry Ierland in april 1172 verliet, schonk hij Hugh de Lacy, een van zijn volgelingen, de provincie Meath en stelde hem aan als constable van Dublin en koninklijke vertegenwoordiger van Ierland. Deze liet binnen een paar maanden de koning van Meath vermoorden, zodat Iers verzet daar werd gebroken.

De Normandiërs begonnen weer met hun afgebroken campagnes en de Ieren kwamen in opstand, nu bekend met de Normandische wapens en tactieken. Strongbow zelf werd belegerd in Waterford en liep het gevaar gevangen te worden genomen. Hulp van Wales voorkwam dit.

Al met al duurde het tot 1175 om Ierland rustig genoeg te krijgen om een verdrag te sluiten.

Met het verdrag van Windsor bleef Ruaidrí Ua Conchobair hoge koning van Ierland buiten Leinster, Meath en de regio rond Waterford. In ruil hiervoor moesten de Ierse leiders Henry een schatting betalen. De volgelingen van Ruadrí zagen het verdrag eerst als een voordeel, maar al snel bleek dat de beloofde immuniteit alleen voor Connacht zou gelden en dan alleen als de schatting werd betaald. Rond die tijd begonnen De Lacy en Strongbow fortificaties te bouwen om zo controle over het veroverde land uit te oefenen. Hiervan zijn nog vele bewaard gebleven en te zien, in meer of mindere mate geruïneerd.

In 1176, na herhaaldelijke opstanden tegen zowel Ruadrí als de Normandiërs, brandde de O’Brien koning van Noord-Munster Limerick plat om te voorkomen dat daar een garnizoen gelegerd zou worden.

In juni van datzelfde jaar stierf Strongbow en viel Leinster tijdelijk onder bescherming van Henry de 2de, totdat hij in 1177 al zijn rechten als Heer van Ierland overgaf aan zijn jongste zoon, prins Jan Zonderland. Deze had niet veel respect voor de Ierse koningen en liet zijn hovelingen regelmatig aan de baard van een bezoekende Ierse koning trekken.

De nieuw aangestelde John de Courcy marcheerde met een leger naar Ulster en regeerde daar, na oost-Ulster te hebben veroverd, als earl van Ulster. Hij trouwde Affreca Godfredsdottir, dochter van Godfred II Olafsson van Man. Hij viel echter na een tijd uit de gunst van de koning en Hugh de Lacy, zoon van de Hugh die koninklijke vertegenwoordiger was geweest, werd door koning Jan Zonderland bevolen Ulster binnen te vallen.

In het zuiden werd in 1185 het koninkrijk van de O’Briens in Oost-Munster gegeven aan Theobald Walter, Philip of Worcester en William de Burgh. Het kostte hen 8 jaar dit min of meer te veroveren. In 1201 kreeg Philip de Braose Limerick, maar wist dit nooit te veroveren.

In 1224 claimde de Normandiër Richard de Burgh het onafhankelijke Ierse koninkrijk Connacht en begon een oorlog die tot 1235 zou duren. Hij had de Ieren echter onderschat, want zij waren meegegroeid met de militaire technologieën van zijn buur. Ondanks dat werd Connacht toch veroverd. Rond dezelfde tijd namen de FitzGeralds en de Geraldines bezit van noord-Kerry en Waterford. In de jaren ’40 namen ze meer land in in de net veroverde landen van Connacht, Kerry en Fermanagh. Ze bouwden een kasteel bij Belleek, in Fermanagh, maar wisten het land niet geheel in bedwang te houden en de Ieren branden vrijwel onmiddellijk het nieuwe kasteel plat. Hierna kwam Fermanagh terug onder Ierse regering.

Rond het midden van de 13de eeuw was Hugh de Lacy, 1ste earl van Ulster, overleden en de Ierse koningen van Tyrone en Donegal stopten hun schatting. Toen dit weinig reactie kreeg vanuit Engeland, sloten ze een alliantie met de koning van Connacht.In 1255 vielen de bondgenoten Ulster binnen, doodden kolonisten en brandden dorpen en steden plat. Rond 1259 was de opstand overgenomen door de Ieren van Munster. Twee jaar later versloegen ze zelfs een leger van Engelsen en boden ze Haakon de 4de van Noorwegen aan hoge koning te worden, als hij zou helpen de Engelsen uit Ierland te verdrijven. Dat jaar stokte de opstand echter, toen sommige van de leiders omkwamen. Het zou nog een eeuw duren voordat de Ieren een nieuwe succesvolle opstand zouden ondernemen.

Na de opstanden werd het earldom van Ulster gegeven aan Walter de Burgh, zoon van Richard de Burgh en lord van Connacht. De Geraldines stemden in 1296 toe Sligo aan De Burgh af te staan. Hierdoor was De Burgh heerser van geheel Connacht en geheel Ulster en werd hij na de koning de machtigste man van Engeland, Wales en Ierland. Thomond, in Noord-Munster, werd aan Thomas de Clare gegeven, die zijn naam aan het graafschap Clare zou geven. In het zuiden kwamen de Geraldines van Desmond en de Butlers van Ormond (tegenwoordig Tipperary) op. Leinster werd opverdeeld in de vier lordschappen Wexford, Kilkenny, Carlow en Kildare, doordat families volgens het feodale stelsel de erfenis deelden onder hun erfgenamen. Meath werd gesplitst in Trim en Meath.

In de landen die waren veroverd door de Normandiërs vond een uitgebreid proces van kolonisatie plaats. Landerijen werden gevestigd en marktsteden gesticht om de verkregen goederen nationaal en internationaal te veranderen. Engelsen, Welshmen, Fransen en Belgen kwamen naar Ierland om zich daar te vestigen, terwijl de Ieren die bleven werden gedegradeerd tot lijfeigenen die op de landerijen werkten. De Ierse heren verloren hun land en goederen, en kregen ze nooit meer terug. De Normandische lords waren Ierland binnengevallen, maar de bezetting was verre van volledig. De Engelsen waren genoodzaakt een soort Engelse getto's te bouwen waar de Engelse bezetters in leefden. In het hoogtepunt van de Engelse macht bezetten de Engelsen ongeveer de helft van Ierland en tot in de 18de eeuw is het niet veel meer geworden. Aan het eind van de vijftiende eeuw was het bezette gebied zo verkleind dat het slechts een strook land van 30km bij 80km betrof, die door een diepe gracht tegen de rest van Ierland werd beschermd.

Zie ook:

De Ierse kwestie
Edward Bruce
Michael Collins

Celtic Webmerchant:

                    
Keltisch oorlogszwaard
66,60   Enkelhandig Vikingzwaard € 70,15       Keltisch zwaard  € 70,85

 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact