Zwaarden deel 2
Zwaardtypering
Ewart Oakeshott heeft wellicht het bekendste systeem voor middeleeuwse
zwaardtypering bedacht en zijn bijdrage aan onze kennis is groot. Om
onderzoek naar zwaarden te vergemakkelijken, heeft hij ze in typen
verdeeld. In tegenstelling tot sommige andere typeringen concentreerde
Oakeshott zich op de kling en zijn functie. Gecombineerd met een
classificatie van het gevest is het mogelijk om een ruwe schatting van
de leeftijd van een zwaard te bepalen. Deze typering is natuurlijk niet
perfect en er zijn binnen elk type variaties en afwijkingen.
Type X
Oakeshott begint bij type X, aangezien hij start waar zijn voorganger,
Jan Petersen, is gestopt. Petersen besprak zwaarden
tijdens
de
Vikingperiode en zijn werk werd door R.E.M. Wheeler samengevat in 9
typen in plaats van 26.
Type X werd in de Vikingtijd en in de middeleeuwen tot de 12de
eeuw gemaakt en was dus het langst gebruikte zwaardtype. Het is een
massief, maar wendbaar wapen. Het heeft een brede, platte kling van
ongeveer 80 cm lang met een wijde bloedgoot over bijna de hele kling. De
punt is scherp, maar vaker afgerond. De doorsnee is lensvormig en boller
in het midden dan aan de scherpe uiteinden. De grip is kort en de kling
loopt door tot aan de pommel, waar hij scherp afloopt. De pommel is over
het algemeen ovaal met twee puntige uiteinden. De pareerstang is breder
dan normale Vikingzwaarden en is relatief dun. Heel af en toe is de
pareerstang ligt gebogen. Veel van de type X zwaarden hebben de naam
Ulfberht in de kling gegraveerd, wat waarschijnlijk een smidsbedrijf
was. Ook andere namen komen voor.
Type X heeft het subtype type Xa, met een even brede en iets langere
kling, maar met een smallere bloedgoot die tot aan de punt doorloopt.
Dit type werd tussen 1000 en 1300 gebruikt.
Zwaarden van type X en Xa zijn beschreven in verschillende heldensaga’s.
Ook zijn de meeste zwaarden die op het tapijt van Bayeux worden
afgebeeld van type X of Xa. Een deel van de zwaarden uit de Maciejowski
bijbel uit ongeveer 1250 zijn eveneens van dit type.
Type XI
Tijdens de 11de eeuw veranderde vorm
van de kling van gemiddeld 80 cm naar 90 cm door de opkomst van de
cavalerie. Het hoofddoel van de zwaarden bleef nog steeds het slaan. De
pareerstang van type XI was nog steeds
plat en dun, maar hierdoor was het zwaard door zijn lengte te flexibel
om effectief te kunnen slaan. Type XI was lang en smal met een smalle
bloedgoot tot enkele centimeters boven de punt. Helaas zijn veel
zwaarden van type XI in slechte staat terug gevonden en hierdoor lijkt
het alsof de punten redelijk zijn afgerond. De pareerstang is recht en
soms vierkant van vorm, met een spitse ovalen of een ronde pommel. Over
het algemeen wordt gedacht dat het type XI in de vroege 12de
eeuw werd geïntroduceerd, maar sommige zwaarden hebben elementen van
vroegere tijden, zoals runen. Mogelijk werden ze dus al in de 10de
eeuw gebruikt. In ieder geval werden de exemplaren van type XI tussen
1100 en 1175 geslagen.
Sommige modellen hebben veel kenmerken
gemeenschappelijk met type XI, maar hebben een bredere en kortere kling.
Hierom zijn ze getypeerd als type XIa.
Er zijn weinig historische afbeeldingen van type
XI en XIa. Sommige scènes van het tapijt van Bayeux en de Maciejowski
bijbel tonen zwaarden die mogelijk van deze typen zijn. Ook de bronzen
deuren van de kerk van st. Zeno in Verona (Italië) tonen een strijder met een
zwaard dat van dit type kan zijn.
Type
Ergens in de middeleeuwen begon een subtiele verandering
in het zwaardontwerp. Er werd ontdekt hoe men oudere slagzwaarden kon
verbeteren. Door deze verbetering kon men ook beter met het zwaard teken
steken. Dit type XII heeft een brede, platte kling die taps toeloopt tot
een scherpe punt en breder wordt naar de pareerstang, van ongeveer 79
cm. De doorsnee is lensvormig, met een boller midden dan de scherpe
kanten. De bloedgoot komt over het algemeen tot twee derde of driekwart
van de kling. De pareerstang is meestal kort en recht. De grip is
langer, over het algemeen ongeveer 11,5 cm. De pommel is vaak rond en
dik.
Er zijn veel zwaarden van dit type overgebleven
en waarschijnlijk was dit ook een populair zwaardtype. Hij is echter ook
moeilijk te classificeren, omdat zwaarden naarmate ze langer gebruikt
worden kunnen afplatten en minder scherp kunnen worden. Daardoor kan ook
de bloedgoot korter lijken.
Een subtype van XII is XIIa. Dit type werd
gemaakt in de zoektocht voor zwaarden die effectief tegen pantser waren.
Het werd ontwikkeld tussen 1275 en 1325 in en rond Duitsland. Het
zwaard heeft eenzelfde ontwerp als het zwaard van type XII, maar is
groter en heeft een langere kling, van 94 tot 102 cm. Daardoor is de
grip ook langer, van 16,5 tot 23 cm. Deze zwaarden, de ‘grete swerdes’,
waren de voorlopers van het middeleeuwse langzwaard. Het gemiddelde
gewicht hiervan was 1,5 kg.
Tot nu toe is er geen duidelijkheid over de
exacte tijd waarin deze zwaarden werden gebruikt. De eerste overgebleven
zwaarden van dit type dateren uit de late 13de eeuw. De
eerste afbeeldingen van deze zwaarden komen echter uit 1200, in de
kathedraal van Bamberg draagt de aartsengel Michael een dergelijk
zwaard. Tot 1280 is bijna elk zwaard dat is afgebeeld een zwaard van
type XII, vaak getoond in hun schede. De beste bron voor type XII in de
kunst is de Maciejowski bijbel uit ongeveer 1250. De meeste zwaarden
hierin hebben een bloedgoot over de volle lengte van het wapen en lijken
dus te duiden op een zwaard van type X. De klingen zijn echter spitser
en ook gezien de periode waarin de illustraties gemaakt zijn is het
waarschijnlijker dat ze van type XII zijn. Veel van de grete swerdes die
zijn afgebeeld kunnen zowel van type XIIa zijn als van type XIIIa.
Type XIII
Door het ontstaan van leren en ijzeren pantser, waren er
effectievere steekzwaarden nodig. Hierdoor veranderde het ontwerp van de
zwaarden en werden ze puntiger. Ook werden oudere ontwerpen verbeterd.
Deze verbeterde typen zijn van type XIII.
Type XIII heeft een langere, bredere kling met bijna
rechte randen die iets breder beginnen bij de grip en uitmonden in een
afgeronde punt. De bloedgoten lopen tot ongeveer de helft van het
zwaard. De doorsnee is lensvormig, met een boller midden en spitse
kanten. De grip is langer dan vroegere typen, ongeveer 15 cm, waardoor
een tweede hand kan worden gebruikt om meer kracht op de zwaarden te
zetten – dit maakt de eerste anderhalfhanders. De pommels zijn vaak
paddestoelvormig of rond. Het type werd vanaf het midden van de 13de
tot de late 14de eeuw geslagen.
Het type XIIIa is een subtype van XIII dat lijkt op type
XIIa. Hij heeft een langere kling en grip en is een vroege vorm van de
grote zwaarden die in literatuur en kunst veelvuldig worden aangehaald.
De grepen variëren van 16,5 tot 25 cm en de kling meet 94 tot 101 cm.
Het type is ontstaan in Duitsland en wordt veelvuldig op Duitse
graftomben afgebeeld. Veel Spaanse en sommige
Engelse zwaarden van dit
type zijn echter rond dezelfde tijd ontstaan. Type XIIIa werd te paard
gebruikt of als tweehandig wapen van een infanterist. Hij werd gebruikt
van de 12de tot de 14de eeuw en ook nog in de eeuw
hierna.
Een tweede subtype is XIIIb. Dit is een enkelhandig type
met dezelfde klinglengte als XIII, maar een kortere grip.
Er zijn vele graftomben in Engeland, Spanje en Duitsland
die zwaarden van dit type tonen. Voorbeelden van illustraties zijn te
vinden in het Tenison psalmenboek van een kort levende zoon van Edward
de 1ste en het Engelse manuscript over de Apocalyps van sint
Johannes uit 1300.
Type XIV
Type XIV is het laatste zwaard in Oakeshotts typering die
valt onder de groep die is bedoeld om maliën te doorboren. Hij heeft een
korte,
brede en puntige kling die vanaf de pareerstang sterk taps
toeloopt. De doorsnee is vrij plat en heeft soms een kleine middenrib.
De bloedgoot loopt ongeveer tot de helft van de kling en is redelijk
breed, maar bij meerdere bloedgoten zijn ze smal. De grip is 9,5 tot
11,5 cm lang en een dik gedeelte van de kling loopt door tot de pommel,
waarbij de bloedgoot ook nog voor een deel doorgaat. De pommel is altijd
rond, soms breed en plat. De pareerstang is vrij breed en vaak gebogen.
Type XIV heeft een functionele punt en is door zijn brede kling zowel
geschikt om te slaan als om te steken.
Zwaarden van type XIV waren populair tussen 1270 en 1340,
maar er zijn weinig overblijfselen van gevonden. Rond de 80% van de
graftombes van de Engelse ridders die in deze tijd zijn begraven, tonen
een zwaard van dit type. Ook zijn er afbeeldingen te vinden op
graftombes in de rest van Europa en in de Maciejowski bijbel. Het
zwaardtype is ontwikkeld door de vooruitgang in de leren en stalen
bepantsering.
Type XV
Door de ontwikkeling van leren en stalen pantser was het
nodig om steekwapens te ontwikkelen voor de zwakke plekken in de
verdediging van de tegenstander. Type XV is het eerste type dat speciaal
voor deze functie werd ontworpen.
Type XV heeft een sterk taps toelopende kling met een
zeer scherpe punt. De doorsnee is diamantvormig, hoger in het midden en
dan recht toelopend op de scherpe kant. Het is een geheel eenhandig
model, met een grip van ongeveer 10 cm lang. Zwaarden van dit type tonen
dat het in de eerste helft van de 13de eeuw werden ontwikkeld
en in de vroege 14de eeuw waren geperfectioneerd. Vanaf 1250
werd het zwaardontwerp verspreid door geheel Europa.
Doordat het pantser rond deze tijd nog beter werd
ontwikkeld, moest er een tweehandige variant komen om meer kracht te
kunnen zetten. Dit type wordt geclassificeerd als type XVa. Dit type
heeft eenzelfde kling als zijn voorganger, maar is vaak slanker en heeft
een langere grip van 18 cm of langer, een echte anderhalfhander dus. De
doorsnee is net als type XV diamantvormig, maar heeft een meer
uitgesproken middenrib. Type XVa werd tot in 1550 gebruikt. XVa is niet
een voortzetting van het type XV, want ze werden tegelijkertijd
gebruikt.
Veel informatie over dit type is te vinden in literatuur
en afbeeldingen. Het werd zeer lang gebruikt en werd met name in
Italiaanse schilderijen uit de 15de eeuw getoond,
bijvoorbeeld de Overwinning van Heraclius op Chosroes van Piero della
Francesca. Ook wordt een dergelijk zwaard genoemd in een stuk over de
slag bij Mansourah door Sieur de Joinville en een versie van de Romance
van Alexander uit 1330. Ongeveer 80% van de militaire praalgraven en
gedenkplaten met afbeeldingen van zwaarden tonen anderhalfhanders,
mogelijk van het type XVa. Dit is echter moeilijk vast te stellen, omdat
ze meestal in de schede worden afgebeeld. Zeker van type XVa is het
zwaard van de Zwarte Prins in Canterbury Cathedral.
Type XVI
Zwaardsmeden bleven nieuwe soorten zwaarden ontwerpen
tegen pantser, met scherpere punten en versterkte doorsneden. Dit type
wordt door Oakeshott type XVI genoemd.
Type XVI is zowel bedoeld om te slaan als te steken en
lijkt erg op het type XIV. De kling loopt vrij snel spits af en is van
gemiddelde lengte, tussen 71 en 81 cm. De bovenkant is breed, met een
sterke doorsnee en een diepe bloedgoot tot iets over de helft van de
kling. De kant onder de pommel is stijf, met een vierkante,
diamantvormige doorsnee – een goed zichtbare middenrib die schuin
afloopt naar de scherpe kanten. Hierdoor was het zwaard van type XVI
ideaal voor zowel steken als slaan. Type XVIa is de anderhalfhandige versie van dit type. Hij
heeft een kortere bloedgoot en een platte, zeshoekige doorsnee.
Dit type wordt bijna niet afgebeeld in kunst of
literatuur. Sint Petrus in de kathedraal van Exeter draagt een dergelijk
zwaard en ook het schilderij Maesta van Leppo Memmi toont drie zwaarden
die van dit type kunnen zijn.
Type XVII
Door het pantser werden in de 14de de knots,
bijl en oorlogshamer populairder, aangezien deze meer impact hadden.
Hierdoor werden er stijve, nog puntigere wapens ontwikkeld voor het
steken. Door deze experimenten ontstonden er soms rare gewichten en
evenwichtspunten. Een van de typen is het type XVII.
Het type XVII had een zeshoekige doorsnee, met een plat
midden en daarna scherp aflopende kanten. Alle zwaarden van dit type
zijn anderhalfhanders voor extra snelheid en manoeuvreerbaarheid door de
tweede steunhand. De kling had vaak een bloedgoot over eenderde van de
kling. De klingen werden slanker en leken een beetje op de rapierkling,
of waren iets wijder bij de grip. De pommel is veelvlakkig en wijder aan
het uiteinde, of plat, breed en ovaal. Het type XVII was populair tussen
1355 en 1425. Hij was zeer stevig en kon tot 2,5 kg wegen.
Veel graftomben uit Groot-Brittannië en Duitsland tonen
ridders met zwaarden die mogelijk van type XVII zijn.
Type XVIII
Rond de 15de eeuw kon een ridder zich geheel
in pantser uitrusten. Gewone infanteristen hadden droegen vrijwel nooit
meer dan een sallet en een wambuis en waren dan ook kwetsbaar voor zowel
steken als slagen. De zwaarden van deze tijd waren dan ook zeer puntig,
een van deze typen was het type XVII. Het type XVIII heeft een redelijk brede kling bij de
pareerstang en loopt spits toe naar de punt. De doorsnee is
diamantvormig en soms hol aflopend naar de punten. Hij heeft soms een
uitgesproken middenrib. De kling is 70 tot 80 cm lang. De grip is 9,5
tot 10 cm lang en heeft een veelvlakkige of ronde pommel. De pareerstang
is afgerond. Doordat hij zeer veel lijkt op type XV, wordt hij soms
ermee verward. Hij werd tussen 1410 en 1510 gebruikt en heeft
verschillende subtypen.Type XVIIIa is zeer slank en heeft soms een bloedgoot in
het bovenste gedeelte. Hij heeft verschillende soorten pommels en is
soms vrij groot, met een grip van ongeveer 12,5 cm. Type XVIIIb heeft een slanke kling met een zeer lange
grip van 28 tot 30,5 cm. De pareerstang is recht en de pommel is rond of
veelvlakkig. Type XVIIIc is een grote anderhalfhander met een kling
tot 86 cm. De afgeplatte, diamantvormige doorsnee loopt lichtelijk hol
af naar de kanten. De grip is lang, met een uitgesproken rib in het
midden, en heeft een ronde pommel. De pareerstang is vaak s-vormig als
voorloper van de kattenhakker. Type XVIIId heeft een slanke, stijve kling met soms een
bloedgoot over de gehele kling. De pareerstang is vaak s-vormig of loopt
sterk rond af. De pareerstang heeft soms een ring aan de voorkant (een
pas d’ane) of zijringen om de duim doorheen te steken Type XVIIIe heeft tenslotte een smalle kling met een
afgeplatte, diamantvormige doorsnee. De kling heeft vaak een lange
ricasso, een bot gedeelte, die smaller is dan de rest van de kling. De
grip is lang, heeft een gebogen pareerstang en een peervormige pommel. Het is moeilijk om zwaarden van dit type in kunst te
ontdekken vanwege de vele subtypen en de gelijkenissen met type XV. Vaak
gaven schilders niet veel om kleine details die zwaardtypen kenmerken.
De afbeeldingen uit de Vechtboeken van Hans Talhoffer uit de 15de
eeuw en ook de gedetailleerde illustraties van Loiset Lyédet tonen
regelmatig deze zwaarden.
Type XIX
Type XIX was een zeer populair type zwaard dat ontstond
in de late 14de eeuw en werd
gebruikt in Spanje, Duitsland,
Italië en Groot-Brittannië. Het type heeft een brede, platte kling met
rechte snijkanten die vrij plots tot een punt komen en een nauwe
bloedgoot tot eenderde van de kling. De doorsnee is een zeshoek, met een
plat middenstuk en toelopende kanten. Er is een korte ricasso van
ongeveer 6 cm lang. Sommige zwaarden van dit type hebben twee groeven
langs de ricasso en de bloedgoot lopen.
De meeste zwaarden van dit type zijn enkelhandig, maar er
zijn ook veel anderhalfhandige, tweehandige typen en zelfs rapieren die
als type XIX zouden kunnen worden geclassificeerd.
Type XIX heeft verschillende soorten grepen. Sommige
hebben een ronde of peervormige pommel met een rechte of scherp gebogen
pareerstang. Andere, latere zwaarden, hebben verder ontwikkelde grepen
met meer bescherming en een voor- of zijring.
Type XX
Het begin van de renaissance was een periode van veel
experimenteren om zo veel mogelijk vereisten van het zwaard in een wapen
te combineren. Een unieke klasse zwaard is type XX, dat
een subtype had
die later type XXI en XII werd.
Zwaarden van type XX zijn over het algemeen zwaarden met
een lange grip en een bloedgoot, met een brede kling. Wat hen kenmerkt,
is het feit dat ze vaak drie bloedgoten hebben, een lange in het midden
en twee kortere. Anderen hebben twee bloedgoten over een kort gedeelte
van de kling. De kling is breed en loopt deels taps af tot een afgeronde
punt. De grip is 20 tot 25 cm lang en heeft een ronde of veelvlakkige
pommel. Zwaarden van dit type werden in de vroege 14de tot de
late 15de eeuw gebruikt.
Zwaarden van dit type met een scherpere punt voor steken
worden onderverdeeld in subtype XXa.
Type
XXI en XXII
Rond de renaissance werd het zwaard meer en meer een
statussymbool. Wapens werden vaker rijk bewerkt en gedragen tijdens
parades. Typen XXI en XXII, oorspronkelijk type XXa, werden tijdens de
15de en 16de eeuw gedragen.
Type XXI heeft een brede kling met meerdere
bloedgoten en een korte, licht gebogen pareerstang. De pommels kunnen
u-vormig of rond zijn. De meeste voorbeelden komen uit Noord-Italië,
maar ook uit andere Europese landen.
Type XXII zijn geheel ter decoratie en hebben een
spitsere punt dan type XXI. Er zijn twee korte bloedgoten.
Sommige Britse graftomben tonen zwaarden van type
XXI. Een van de schilderijen van Lorenzo di Niccolo Gerini toont
eenzelfde zwaard met een bolle pommel.
Zie ook:
Het zwaard
Middeleeuwse krijgskunst
De boog
Celtic Webmerchant:

Tweehandig zwaard
€ 70,15
Trainingszwaard € 88,10 Enkelhandig Vikingzwaard
€ 70,15
|